Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Uitleg pensioenontslagbeding en Haviltex-criterium

Uitleg pensioenontslagbeding en Haviltex-criterium

2 april 2021

De pensioengerechtigde leeftijd is na wetswijzigingen met betrekking tot de AOW-ingangsdatum voor meerdere uitleg vatbaar geworden. Uitleg pensioenontslagbeding Haviltex-maatstaf. Eisende werknemer krijgt geen gelijk; AOW-leeftijd is ontslagdatum.

Pensioenontslagbeding

Tussen A en haar werkgever bestaat sinds 1 januari 2005 een pensioenovereenkomst betreffende een aanvullend pensioen bij een verzekeraar. De pensioendatum van A is in het op 25 augustus 2005 door haar en werkgever ondertekende ‘deelnameformulier flexibel management pensioen’ bepaald op 1 juli 2018 (de eerste van de maand waarin A de leeftijd van 65 jaar bereikt). Voor A geldt dat zij de ingangsdatum van haar aanvullend pensioen zelf kan bepalen, namelijk op een moment tussen haar 65e en 70e. De pensioen(richt)leeftijd is sinds 2014 en 2018 opgetrokken tot - uiteindelijk - 68 jaar.

A en werkgever hebben de arbeidsovereenkomst schriftelijk vastgelegd op 26 oktober 2005. Over het einde van de arbeidsovereenkomst is het volgende pensioenontslagbeding opgenomen:

3.1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1 eindigt de arbeidsovereenkomst tussen partijen in ieder geval:

  1. a) (…)
  2. b) als werkneemster de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

 

A en werkgever overlegden in september 2019 over de ingangsdatum van het pensioen van A en het einde van het dienstverband. De insteek van werkgever was dat het dienstverband van A eindigde op 6 november 2019, zijnde de nu geldende AOW-gerechtigde leeftijd van A, namelijk 66 jaar en 4 maanden. De andersluidende insteek van A was dat zij gerechtigd is en ook de wens heeft om tot 6 juli 2021 (als zij 68 jaar wordt) door te werken.

A heeft per brief van 25 september 2019 aan werkgever haar standpunt over de pensioengerechtigde leeftijd uiteengezet. A en werkgever worden het niet met elkaar eens. Nadat de kantonrechter A in het ongelijk stelt gaat A in hoger beroep.

Haviltex-criterium

De vraag die partijen verdeeld houdt, is wanneer A geacht kan worden de pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt: bij het bereiken van de AOW-leeftijd, dat wil zeggen op 6 november 2019, of bij het bereiken van de pensioenleeftijd op grond van de geldende pensioenregeling op 6 juli 2021. Tussen beide data zitten 20 maanden en dat maakt een belangrijk verschil voor de aanspraken die A al dan niet heeft.

Het geschil van partijen richt zich volgens het hof op de uitleg van het pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat het hof de desbetreffende bepaling zal moeten uitleggen aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium. Dit houdt in dat de betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. De vraag naar de betekenis van het pensioenontslagbeding kan bijvoorbeeld niet alleen maar met een zuiver taalkundige uitleg worden beantwoord. Ook kan een rol spelen tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht.

Onder meer gedragingen en adequate informatie doen A de das om

A wordt door het hof in het ongelijk gesteld.

In het algemene spraakgebruik werd, zoals partijen wel onderkennen, gedurende een lange periode “pensioengerechtigde leeftijd” gebruikt om zowel de AOW-leeftijd als de leeftijd van het (aanvullend) pensioen aan te duiden. In beide gevallen ging het namelijk om het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Destijds leverde een bepaling als artikel 3 van de arbeidsovereenkomst dan ook weinig verwarring op. In de periode dat de zaken er zo voor stonden hebben partijen met elkaar de arbeidsovereenkomst en het pensioenontslagbeding vastgelegd.

De moeilijkheid is nu dat de pensioen(richt)leeftijd en de AOW-leeftijd ná het vastleggen van de afspraken in de arbeidsovereenkomst uit elkaar zijn gaan lopen. De AOW-leeftijd is vanaf 1 januari 2013 stapsgewijs verhoogd en is voor A 66 jaar en 4 maanden. Vanaf 1 januari 2014 is ook de pensioenrichtleeftijd stapsgewijs verhoogd, deze ligt nu op 68 jaar. In de pensioenregeling die met verzekeraar is aangegaan voor de werknemers van werkgever is de pensioendatum gedefinieerd als de datum waarop het levenslange ouderdomspensioen van de (gewezen) deelnemer feitelijk ingaat, die in de nu geldende versie van de pensioenregeling is bepaald op 68 jaar (hierna: de pensioenleeftijd). Dit verschil heeft geleid tot de onderhavige discussie en maakt dat een nadere uitleg noodzakelijk is, waarbij naar meer dan alleen het taalkundige aspect dient te worden gekeken.

In 2014 is werkgever aan de slag gegaan met het verwerken van de wetswijzigingen ten aanzien van AOW en pensioen in het personeelsreglement. Uit hoofde van haar functie bij werkgever was A hierbij betrokken. Zij stelde in augustus 2014 ten behoeve van werkgever een concept-personeelsreglement op waarin onder meer was opgenomen dat er nadere informatie over het pensioen beschikbaar komt in verband met de gevolgen van de meest recente wetswijziging en dat de beëindiging van het dienstverband geschiedt door het bereiken van de AOW-leeftijd.

In 2015 en in 2018 schakelde werkgever een externe pensioenadviseur (B) in. die per werknemer bekeek wat de gevolgen van de wetswijzigingen waren. De inschatting van B was dat deze gevolgen niet nadelig waren voor de werknemers. De werknemers zijn over dit alles geïnformeerd, onder meer tijdens een pensioenpresentatie. Hieruit blijkt dat in 2014/2015 tussen partijen al gerichte uitwisselingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de wetswijzigingen en de gevolgen daarvan voor het aanvullend pensioen voor werknemers, waarbij het uitgangspunt is geweest dat doorgewerkt werd tot de (verhoogde) AOW-leeftijd. Dat het pensioenreglement een standaardregeling betreft die in het hele land door advocatenordes wordt gebruikt, zoals A aanvoerde, doet niet af aan deze bekendheid van beide partijen met de geldende regelgeving en uitgangspunten in het personeelsreglement en de gewijzigde pensioenregeling in deze fase.

Uit al het voorgaande maakt het hof op dat

  • in de afspraken, zoals die in 2005 zijn vastgelegd, partijen zijn uitgegaan van het einde van de arbeidsovereenkomst per 6 juli 2018, zijnde de datum waarop A 65 jaar zou worden.. Dat was het ijkmoment voor het ingaan van zowel haar AOW als het aanvullend pensioen en vormde dus “de pensioengerechtigde leeftijd”.
  • Partijen destijds niet voorzagen dat AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd uit elkaar zouden gaan lopen en dus geen keuze hebben gemaakt voor de ene of de andere datum ingeval de term “pensioengerechtigde leeftijd” niet meer beide ladingen zou dekken. Er is in dat opzicht achteraf bezien een leemte in de arbeidsovereenkomst ontstaan.
  • In de periode na de wetswijzigingen partijen adequate informatie hebben uitgewisseld over de wetswijzigingen en zich nader kunnen bepalen tot de ontstane situatie. Uit hun verklaringen en gedragingen tegenover elkaar blijkt duidelijk dat zowel werkgever als A de AOW-leeftijd voor A (inmiddels verschoven naar 6 november 2019) aanmerkten als de einddatum van de arbeidsovereenkomst in de zin van het pensioenontslagbeding. Partijen waren het daarover dus eens en maakten dat aan elkaar voldoende duidelijk kenbaar. Zij hebben in zoverre met elkaar de ontstane leemte ingevuld.
  • Aan deze nadere, preciserende invulling van de eerder overeengekomen bepaling hebben partijen ook al over en weer uitvoering gegeven, door plannen te maken voor de overdracht van de werkzaamheden en het uitvoeren daarvan en door het uitzetten van een tijdpad van bekendmaking van het vertrek en afscheid (intern en extern), steeds na onderlinge afstemming en aan zowel genoemde plannen als genoemd tijdpad daadwerkelijk uitvoering te geven.

 

Dit alles betekent volgens het hof dat de term “pensioengerechtigde leeftijd” in het pensioenontslagbeding op basis van de door partijen (nader) daaraan gegeven invulling in hun rechtsverhouding betekent: de AOW-leeftijd.

Volgens het hof volgt uit het voorgaande dat het pensioenontslagbeding ertoe leidt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 6 november 2019.

Commentaar

In ons nieuwsbericht van 28 februari 2020 bespraken wij de uitspraak van de kantonrechter in deze zaak. Dat A (jurist die betrokken was op de aanpassing van de pensioenregeling) ook in het ongelijk werd gesteld door het hof verbaast ons niet.

Dat de toepassing van het Haviltex-criterium dit niet altijd tot dezelfde conclusie leidt, blijkt uit de zaak die wij bespraken in ons nieuwsbericht van 7 oktober 2019. Daarin kwam het hof Amsterdam op basis van hetzelfde Haviltex-criterium tot de conclusie dat onder pensioengerechtigde leeftijd in dat geval de pensioenrichtleeftijd moest worden verstaan. Maar ja, in die zaak betrof het geen jurist die ook nog eens betrokken was op het aanpassen van de personeelsvoorwaarden naar aanleiding van de wijzigingen in de AOW en pensioenleeftijd van het aanvullend pensioen.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 maart 2021; ECLI:NL:GHARL:2021:2498

Dit bericht is aangepast naar de stand van zaken op 1 april 2021