Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Uitruil OP in PP op pensioendatum geen fatale termijn

13 juni 2017

Als een pensionerende (gewezen) deelnemer niet binnen de door de pensioenuitvoerder gestelde termijn reageert op een voorstel tot uitruil van ouderdomspensioen in nabestaandenpensioen, gaat de pensioenuitvoerder op pensioendatum automatisch over tot deze uitruil. Volgens het Hof Arnhem-Leeuwarden is hierbij geen sprake van een fatale termijn. Een ná de door de pensioenuitvoerder gestelde termijn ingediend verzoek om niet uit te ruilen leidt ertoe dat geen sprake is van een partnerpensioen als de gepensioneerde overlijdt.

Standaard aanbod tot uitruil bij partnerpensioen op risicobasis

Bij een pensioenregeling die voorziet in een partnerpensioen op risicobasis moet de pensioenuitvoerder bij beëindiging van de deelneming en in het laatste jaar voor ingang van het ouderdomspensioen standaard een ruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen aanbieden. Als de (gewezen) deelnemer niet reageert op dit aanbod binnen de daarvoor door de pensioenuitvoerder gestelde termijn, gaat de pensioenuitvoerder op grond van artikel 61, lid 7 van de Pensioenwet over tot de ruil als;            

  • de pensioenovereenkomst niet voorziet in een aanspraak op partnerpensioen vanaf de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat; én
  • de (gewezen) deelnemer gehuwd is of een geregistreerde partnerrelatie heeft. Dit om te voorkomen dat de partner van de gepensioneerde (gewezen) deelnemer onbewust niet aanmerking komt voor een partnerpensioen als de gepensioneerde overlijdt na ingang van het ouderdomspensioen.

Deze bepaling kwam indertijd via een amendement van de Tweede Kamerleden Verbeet, Omtzigt en De Vries in de wet. Ter toelichting merkten deze leden op dat het amendement tot doel had de positie van nabestaanden binnen de Pensioenwet te verbeteren. Met name omdat de laatste jaren een verschuiving plaatsvond van partnerpensioen op kapitaalbasis naar partnerpensioen op risicobasis.

De casus

Een pensioenfonds biedt een deelnemer in het laatste jaar voor zijn pensionering aan het ouderdomspensioen uit te ruilen voor partnerpensioen. De pensioenregeling kende een partnerpensioen op risicobasis. Zonder uitruil zou er dus geen sprake zijn van een partnerpensioen als de deelnemer overlijdt na ingang van zijn ouderdomspensioen. Het pensioenfonds stuurt op 17 februari 2011 een brief met het aanbod tot uitruil. Daarbij vraagt het fonds om vóór 17 maart 2011 te reageren. De deelnemer reageert echter pas op 12 mei 2011, waarbij hij aangeeft niet te willen uitruilen. Op 1 juli 2011 gaat hij met pensioen en op 10 juli 2011 overlijdt hij. Zijn weduwe claimt een partnerpensioen bij het pensioenfonds. Volgens haar heeft zij hier recht op omdat haar man niet heeft gereageerd binnen de door het fonds gestelde termijn en het fonds dus over had moeten gaan tot de uitruil.

Uitspraak van het Hof

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wijst de vordering van de weduwe af. Hoewel vaststaat dat de deelnemer het ingevulde en getekende antwoordformulier na 17 maart 2001 aan het fonds terugstuurde, betekent dit niet dat het fonds direct had moeten overgaan tot de ruil. De in de brief van het fonds van 17 februari 2011 vermelde termijn van 17 maart 2011 is volgens het Hof niet meer dan een termijn om de rechten van de deelnemer bij zijn pensionering, waaronder een eventuele uitruil van ouderdomspensioen voor partnerpensioen, administratie te kunnen verwerken. De in de brief vermelde termijn kan volgens het Hof dan ook niet als een fatale termijn worden beschouwd in die zin dat bij gebreke van een reactie binnen deze termijn, het fonds direct verplicht was tot uitruil van het ouderdomspensioen in partnerpensioen over te gaan. Het fonds is niet tekort geschoten in haar informatie- en zorgverplichting bij de uitvoering van de pensioenovereenkomst en heeft niet onrechtmatig gehandeld.

Commentaar

Het Hof komt naar onze mening wel heel gemakkelijk tot de conclusie dat geen sprake is van een fatale termijn. Het fonds schreef weliswaar in zijn brief dat het de deelnemer “vriendelijk verzocht het antwoordformulier volledig ingevuld en ondertekend vóór 17 maart 2011 terug te sturen, omdat de administratie nogal wat tijd vergt”, maar dat kan de duidelijke wettekst op dit punt niet opzij zetten.

Het zevende lid van artikel 61 PW is heel stellig: “Indien de deelnemer of gewezen deelnemer niet binnen de door de pensioenuitvoerder gestelde termijn reageert op de keuzemogelijkheid die hem ingevolge het tweede lid in het laatste jaar voor de ingang van het ouderdomspensioen is geboden, gaat de pensioenuitvoerder over tot het uitruilen van het ouderdomspensioen in partnerpensioen ….”.

Dit laat de pensioenuitvoerder dus geen eigen afweging of beoordelingsruimte. Als er niet binnen de termijn wordt gereageerd gaat de pensioenuitvoerder over tot de ruil. En niet kan de pensioenuitvoerder hiertoe overgaan. In zoverre is er sprake van een automatisme. Dat blijkt ook uit de reactie van de minister van SZW op het amendement: “De leden Verbeet, Omtzigt en Bibi de Vries stellen voor om de pensioenuitvoerder te verplichten om de uitruil automatisch toe te passen, tenzij de deelnemer dit niet wil”. In zoverre zijn er naar onze mening goede gronden om de stelling van de weduwe dat wél sprake is van een fatale termijn te ondersteunen. Het amendement diende er immers toe om de positie van de nabestaanden binnen de Pensioenwet te verbeteren en niet om pensioenuitvoerders de voor de verwerking van een uitruil benodigde tijd te bieden. Wij zijn benieuwd of de Hoge Raad hier nog een uitspraak over gaat doen. 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3542

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 12 juni 2017