Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Uitspraken EU HvJ geen aanleiding staffelbesluit in te trekken of aan te passen

28 juni 2017

Op 19 april 2016 deed het Europese Hof van Justitie uitspraak in de zaak Dansk Industri/Rasmussen. De Tweede Kamerleden Lodders en De Vries (beiden VVD) stelden naar aanleiding hiervan vragen. Volgens de staatssecretarissen van SZW en van Financiën moet de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL) worden aangepast, maar zijn er geen gevolgen voor het pensioenstelsel en voor werkgevers die met het staffelbesluit werken.

Dansk Industri/Rasmussen en Danmark/Experian

Over de uitspraak in de zaak Dansk Industri/Rasmussen schreven wij in ons bericht van 23 mei 2016. Het EU HvJ oordeelde eerder, in het Danmark/Experian-arrest, dat aan de uitzondering op het verbod van leeftijdsonderscheid, zoals vastgelegd in artikel 8, lid 3 van de WGBL geen zelfstandige betekenis toekomt. Zie ons bericht van 1 november 2013. In artikel 8, lid 3 WGBL is een uitzondering opgenomen voor actuariële berekeningen bij pensioenvoorzieningen waarbij met leeftijd rekening wordt gehouden. In het Dansk Industri/Rasmussen-arrest oordeelde het HvJ dat het de taak is van nationale rechterlijke instanties om de volle werking van het EU-recht te waarborgen. De rechter moet de nationale regeling conform het recht van de EU uiteggen. Dit kan volgens het Hof ook inhouden dat vaste rechtspraak wordt gewijzigd. Als dit niet kan, moet de nationale regeling die in strijd is met het EU-recht buiten toepassing worden gelaten. De nationale rechter mag in dat geval het beroep van de werkgever op het rechtzekerheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel niet honoreren.

De Kamervragen

De beide VVD Tweede Kamerleden stelden op 26 juni 2016 vragen over de gevolgen van deze uitspraken voor de Nederlandse beschikbare premieregelingen. Deze vragen behandelden wij in ons bericht van 30 juni 2016. De Kamerleden vroegen de staatssecretarissen of werkgevers en pensioenuitvoerders er van uit kunnen gaan dat het zogenoemde “Staffelbesluit” dat de Belastingdienst opstelde voor beschikbare premieregelingen, getoetst is aan (internationale) wetgeving. Ze vroegen of de staatsecretarissen inzicht hebben in de gevolgen voor het Nederlandse pensioenstelsel van deze beide arresten en of zij de mening delen dat het grote financiële gevolgen kan hebben voor werkgevers in Nederland die werken met de staffels uit het staffelbesluit. Tenslotte wilden zij weten of deze uitspraken aanleiding zijn voor de Belastingdienst om het Staffelbesluit in te trekken dan wel gelijkblijvende staffels toe te staan.

De antwoorden

De staatssecretarissen antwoorden dat bij het opstellen van wet- en regelgeving het gebruik van leeftijdsgrenzen getoetst dient te worden aan de (internationale) gelijke behandelingswetgeving. De staffels zijn rekenkundig getoetst en leiden tot een gelijk eindresultaat ongeacht leeftijd. Zij geven aan dat uit de beide uitspraken van het EU HvJ kan worden afgeleid dat de uitzondering van artikel 8, lid 3 WGBL bij nader inzien geen juiste implementatie is van de Europese richtlijn 2000/78/EG, waarop de WGBL is gebaseerd. De arresten hebben daarom gevolgen voor de WGBL.
De komende tijd zal worden onderzocht hoe de WGBL aangepast kan worden, zodat deze in overeenstemming is met deze Europese richtlijn.

De arresten hebben volgens de staatssecretarissen geen gevolgen voor het pensioenstelsel en voor werkgevers die met het staffelbesluit werken. Het gebruik van leeftijdsgrenzen is immers op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel c WGBL toegestaan indien er een objectieve rechtvaardiging is. De uitspraken vormen dan ook geen aanleiding om het staffelbesluit in te trekken of aan te passen, omdat het in het staffelbesluit gehanteerde leeftijdsonderscheid objectief kan worden gerechtvaardigd. Een belangrijk element van de objectieve rechtvaardiging is dat het verschil in premiepercentages voor beschikbare premieregelingen is gericht op een per ingelegde euro gelijk pensioenresultaat op pensioeningangsdatum. 

Commentaar

Volgens het EU HvJ in het Danmark/Experian-arrest komt geen zelfstandige betekenis toe aan de uitzondering in de WGBL voor actuariële berekeningen waarbij met leeftijd rekening wordt gehouden. Dat is alleen het geval bij de uitzonderingen voor toetredingsleeftijden en pensioengerechtigde leeftijden. Voor een uitzondering op basis van actuariële berekeningen moet er derhalve een objectieve rechtvaardiging zijn. Het Dansk Industri/Rasmussen-arrest brengt daarin geen verandering. Met name vanuit de pensioenadvieswereld dacht men daar anders over, hetgeen leidde tot de Kamervragen.

Zoals blijkt uit het Dansk Industri/Rasmussen-arrest moet de nationale rechter recht spreken conform de van toepassing zijnde Europese richtlijnen. Vertaald naar de Nederlandse situatie en de WGBL vloeit daaruit voort dat leeftijdsonderscheid dat is gebaseerd op actuariële berekeningen bij pensioenvoorzieningen waarbij met leeftijd rekening wordt gehouden, als zodanig niet als uitzondering op het verbod op onderscheid naar leeftijd geldt. Maar dat brengt niet met zich dat een dergelijk onderscheid in zijn algemeenheid niet is toegestaan. Als voor dit verschil een objectieve rechtvaardiging bestaat, mag het.

De wetsgeschiedenis bij de WGBL ging nog wel uit van een zelfstandige betekenis van de uitzondering op basis van actuariële berekeningen. Het onderscheid op grond van leeftijd is volgens de parlementaire geschiedenis toegestaan als het is terug te voeren op actuariële berekeningen. Dat wil zeggen dat verschil in premie is toegestaan als daarmee voor alle leeftijdscategorieën eenzelfde pensioen wordt bereikt (Kamerstukken I, 203-204, 28 170, C, blz. 2-3). In zoverre moet de WGBL naar aanleiding van deze arresten dus worden aangepast.

Ook zonder zelfstandige betekenis kan het criterium dat met de verschillende premies eenzelfde pensioen moet worden bereikt echter uitstekend dienen als toetssteen voor de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. Het doel, het bereiken van een voor iedereen gelijk pensioenresultaat is legitiem. Het middel, het op basis van leeftijd hanteren van een staffel met een beschikbare premie op basis van een met de leeftijd stijgend percentage van de pensioengrondslag, is passend. En noodzakelijk, want er is geen andere mogelijkheid om met andere middelen, die geen of minder onderscheid maken, dit doel te bereiken.

Het cruciale verschil tussen de Nederlandse situatie en de Deense is dat in Nederland de percentages zodanig zijn bepaald dat zij op basis van de gekozen rekenrente en leeftijdscohorten leiden tot een zelfde pensioenresultaat op pensioendatum, terwijl dat in de Deense situatie niet het geval was. Voor de Deense situatie was dus geen sprake van een objectieve rechtvaardigingsgrond, voor de Nederlandse op basis van de gekozen uitgangspunten wel. Daarom is er geen aanleiding de Nederlandse praktijk op dit gebied te wijzigen naar aanleiding van deze arresten en het staffelbesluit te wijzigen of in te trekken. Een volkomen logische en te verwachten conclusie van de staatssecretarissen in hun antwoord op de Kamervragen. De enige vraag die rest, is waarom zij er bijna een jaar over hebben gedaan om tot deze zo voor de hand liggende conclusie te komen!

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis
Bron: Antwoord op Kamervragen van de leden Lodders en Aukje de Vries, 2016-0000218901

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 juni 2017