Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Uitstelverbod prepensioen niet discriminatoir

20 april 2018

Met het niet toestaan om prepensioen uit te stellen tot de pensioengerechtigde leeftijd discrimineert Stichting Rabobank Pensioenfonds een arbeidsongeschikte werknemer niet.

Arbeidsongeschikte man wil zijn prepensioen uitstellen

De heer X werkte sinds 1 juni 1974 bij de (rechtsvoorganger) van de Rabobank. Hij neemt deel aan de pensioenregeling van de Rabobank. Eind 2004 stelde de Arbo-arts vast dat X een burn-out heeft. Op grond daarvan is hij sinds 2006 volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt hij een WIA-uitkering.

Sedert 1 januari 2007 is aan X premievrije voortzetting van zijn pensioenopbouw (PVI) toegekend. Hij ontvangt sinds 1 februari 2012, naast zijn WIA-uitkering, een arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP).

X ondervindt nog steeds beperkingen van zijn burn-out en is daardoor niet in staat om te werken. Hij wil zijn prepensioen uitstellen. Op grond van het pensioenreglement wordt het opgebouwde prepensioen van een arbeidsongeschikte deelnemer verplicht uitgekeerd tussen zijn 62ste en 65ste levensjaar en wordt het prepensioen verrekend met de door hem te ontvangen WIA-uitkering en het AOP (anticumulatie). Het is voor arbeidsongeschikte deelnemers, zoals X, niet mogelijk het prepensioen uit te stellen en om te zetten in een hoger ouderdomspensioen. Arbeidsgeschikte deelnemers kunnen hun prepensioen wel uitstellen indien en voor zover ze doorwerken.  

Onderscheid arbeidsgeschikten en arbeidsongeschikten?

Volgens X maakt de pensioenuitvoerder in zijn geval verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte, omdat hij vanwege zijn arbeidsongeschiktheid niet de keuze heeft om de ingangsdatum van het prepensioen uit te stellen. Hierdoor wordt het uitgekeerde prepensioen verrekend met zijn WIA-uitkering en zijn AOP. Zijn arbeidsgeschikte collega’s hebben wel de keuze om hun opgebouwde prepensioen samen te voegen met het ouderdomspensioen en zij hebben daardoor een hoger ouderdomspensioen, aldus X.

De Stichting Rabobank Pensioenfonds (Stichting) betwist dat sprake is van verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Volgens de Stichting ontvangt X - naast zijn WIA-uitkering - AOP en bouwt hij premievrij pensioen op. Anticumulatie en het verbod op uitstel van uitkering van prepensioen is volgens de Stichting een onderdeel van het totaalpakket voor arbeidsongeschikte deelnemers en kan niet worden losgekoppeld van de overige maatregelen. Als anticumulatie zou uitblijven dan zouden arbeidsongeschikte deelnemers, zoals X, in een betere positie worden gebracht dan waarin zij zouden verkeren als zij niet arbeidsongeschikt waren geworden. Dan zou niet alleen het inkomens– en het pensioengemis worden opgevangen door de AOP en de PVI, maar ook het ouderdomspensioen worden verhoogd, dit als gevolg van de omzetting van het opgebouwde prepensioen in extra ouderdomspensioen.

College: geen gelijke gevallen

Volgens het College voor de rechten van de mens (het College) maakt de Stichting geen verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte.

Het College constateert dat er bij X sprake is van een handicap of chronische ziekte. En dat de pensioenuitvoerder geen onderscheid mag maken bij de arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioenaanspraken, op grond van handicap of chronische ziekte .(artikel 4, aanhef en onderdeel e, de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)). Het gelijkheidsbeginsel vergt echter dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk, naar de mate van ongelijkheid. En van gelijke gevallen is volgens het College geen sprake omdat arbeidsgeschikte deelnemers - die doorwerken - en arbeidsongeschikte deelnemers met betrekking tot relevante factoren, te weten hun pensioenrechten, de mogelijkheden tot (door)werken en de (bron van) inkomensopbouw, wezenlijk van elkaar verschillen.

Het College: “Een arbeidsongeschikte deelnemer kan niet doorwerken en komt in aanmerking voor een WIA-uitkering, aangevuld met AOP en PVI. Een arbeidsgeschikte deelnemer die doorwerkt, verwerft inkomsten uit werk en betaalt premie voor het ouderdomspensioen. De rechtspositie van een deelnemer met een uitkering verschilt dan ook wezenlijk van die van een deelnemer met inkomsten uit arbeid. Het door de Stichting aangeboden pakket voor arbeidsongeschikte deelnemers is erop gericht om inkomensverlies en staking van pensioenopbouw te voorkomen. Omgekeerd geldt dat arbeidsgeschikte deelnemers geen beroep kunnen doen op een WIA-uitkering, AOP en PVI.”

Het College is van mening dat X zich niet kan vergelijken met arbeidsgeschikten die (kunnen en willen) doorwerken tot aan de pensioengerechtigde leeftijd en gebruik maken van voorzieningen die voor hen zijn bestemd, zoals uitstel van uitkering van prepensioen en het daardoor ontvangen van een hoger ouderdomspensioen. X heeft immers recht op arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen en hoeft geen premie meer te betalen voor zijn ouderdomspensioen.

De Stichting heeft volgens het College met betrekking tot X geen verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt door het door hem opgebouwde prepensioen uit te keren tussen zijn 62ste en 65ste levensjaar en hem niet te toe te staan zijn prepensioenaanspraken uit te stellen tot zijn pensioengerechtigde leeftijd en toe te voegen aan zijn ouderdomspensioen.

Commentaar

Het oordeel van het College is niet verrassend: gelijke gevallen moeten gelijk behandeld worden. En van gelijke gevallen, was hier geen sprake. Hoe graag X dit ook wil.

X wenste zijn prepensioen uit te stellen. Wanneer de uitvoerder had meegewerkt aan uitstel van het prepensioen, dan was de gehele prepensioenaanspraak in één keer fiscaal belast. De fiscale wetgeving verbiedt immers uitstel van uitkering van prepensioen wanneer niet wordt doorgewerkt (doorwerkvereiste). Zie ook ons nieuwsbericht van 25 januari 2018.

De Stichting was van mening dat zij geen partij is in deze casus. Ten eerste voerde zij daartoe aan dat zij de pensioenregeling slechts uitvoert en dat zij niet betrokken is bij de totstandkoming van de inhoud daarvan. Het College maakte daarmee korte metten.

Volgens het College is de WGBH/CZ zodanig geformuleerd dat zij verplichtingen schept voor een ieder die activiteiten ontplooit die binnen de reikwijdte van de WGBH/CZ vallen. “Het handelen van het pensioenfonds dat uitvoering geeft aan door (organisaties van) werkgevers en werknemers tot stand gebrachte pensioenaanspraken valt hiermee binnen de reikwijdte van de WGBH/CZ (zie: College 29 maart 2013, 2013-40, rechtsoverweging 3.3). “

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: College voor de rechten van de mens, oordeel 2018-22

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 18 april 2018