Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Uitwerking Pensioenakkoord afgerond.

Uitwerking Pensioenakkoord afgerond.

15 juni 2020

Sociale partners en kabinet sloten op 5 juni 2019 een pensioenakkoord. Een jaar later, op 12 juni 2020 rondden zij de uitwerking ervan af. Belangrijkste knelpunt op het laatst was de overgangsregeling voor rechtstreeks verzekerde premieovereenkomsten. Deelnemers in bestaande regelingen houden hun bestaande premiestaffel. Nieuwe deelnemers krijgen de nieuwe regeling met een vlakke staffel.

Doelstellingen nieuw pensioenstelsel

De aanpassing van het pensioenstelsel is noodzakelijk omdat het als gevolg van veranderingen in de samenleving op het gebied van demografie, economie en arbeidsmarkt, niet goed meer aansluit op de huidige maatschappij. De beloften kunnen niet goed worden nagekomen wat zorgt voor teleurstelling en afnemend vertrouwen. Kortingen van pensioen bij pensioenfondsen dreigen en verhogingen kunnen al enkele jaren niet plaatsvinden. Om toekomstbestendig te kunnen blijven is aanpassing van het stelsel noodzakelijk.

Uitwerking pensioenakkoord

Sociale partners en kabinet sloten op 5 juni 2019 een pensioenakkoord. Een jaar later, op 12 juni 2020 rondden zij de uitwerking ervan af. De uitwerking van het pensioenakkoord vond plaats op verschillende niveaus. Diverse werkverbanden bereidden voorstellen voor, die door de zogenoemde Voorbereidingsgroep werden beoordeeld en gebundeld. Vervolgens behandelde de stuurgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de sociale partners, kabinet en pensioenkoepels, deze voorstellen. Daarnaast was er nog een “Wetenschappelijk beraad” van hoogleraren, dat de stuurgroep ondersteunde. 
Uiteindelijk kwamen sociale partners en minister Koolmees op 12 juni 2020 tot overeenstemming. Dat resulteert in een volgens de betrokken partijen duurzaam houdbaar pensioenstelsel dat eerder perspectief biedt op een transparanter, persoonlijker en koopkrachtig pensioen, dat beter aansluit bij de ontwikkelingen in de maatschappij en de arbeidsmarkt.

Het nieuwe contract

Een aantal punten uit het huidige systeem blijft overeind. Het ambitieniveau van een op 68 jaar ingaand ouderdomspensioen van 75% van het gemiddelde salaris na 40 jaar opbouw blijft gehandhaafd. Het streven is dat het huidige pensioenniveau op zijn minst gelijk zal blijven. Solidariteit en collectiviteit blijven belangrijke uitgangspunten en de huidige verplichtstelling blijft behouden. Pensioenfondsen blijven pensioenregelingen collectief uitvoeren en beleggen.

Het nieuwe ‘doorontwikkelde’ contract werkt niet meer met aanspraken. Er is geen sprake meer van een uitgestelde periodieke uitkering met een bepaalde nominale zekerheid. De zekerheid ligt nu bij de premie. Voor iedere deelnemer geldt, ongeacht zijn leeftijd, hetzelfde percentage van de pensioengrondslag als jaarlijkse beschikbare premie. De deelnemer weet zeker welke premie er voor hem beschikbaar is, maar welk pensioenresultaat hij daar uiteindelijke mee bereikt is ongewis. Het streven blijft 75% van het gemiddelde salaris na 40 jaar opbouw, maar het uiteindelijke resultaat hangt af van de omstandigheden op de financiële markten en de ontwikkeling van de levensverwachting. Zijn die ontwikkeling gelijk aan die bij het vaststellen van de premie werden verwacht, dan is het beoogde ambitieniveau haalbaar. Zijn ze beter dan verwacht, dan is het pensioenresultaat ook beter dan verwacht. Zijn ze slechter, dan geldt dat ook voor het pensioenresultaat.

Er blijft binnen het pensioenfonds sprake van één collectief vermogen voor actieve deelnemers, gepensioneerden en slapers. Voor elke deelnemer is het met zijn premie-inleg corresponderende gedeelte van dit collectieve vermogen beschikbaar voor zijn pensioen. Omdat er geen sprake meer is van toegezegde aanspraken met een nominale zekerheid van 97,5%, is het niet langer noodzakelijk om bij het vaststellen van de verplichtingen uit te gaan van de risicovrije rente en kent het pensioenfonds in het nieuwe systeem geen dekkingsgraad meer.

De beschikbare premie wordt bepaald aan de hand van een zogenoemde projectierente en de verplichtingen van het pensioenfonds zijn per definitie net zo groot als het beschikbare vermogen. 
Naast het voor de deelnemer beschikbare vermogen wordt een zogenoemde collectieve solidariteitsreserve gevormd. Dit is een collectief, niet toebedeeld, vermogen waarmee een intergenerationele risicodeling wordt bereikt door risico’s binnen en met toekomstige generaties volgens duidelijke en evenwichtige regels over leeftijdsgroepen te delen. 
Om de pensioenuitkeringen stabieler te maken wegen mee- en tegenvallers minder zwaar mee naarmate mensen ouder zijn. Pensioengerechtigden merken hier dus minder van dan jongeren. Jonge deelnemers hebben een langere beleggingshorizon en zijn daardoor beter in staat om mee- en tegenvallers op te vangen in de tijd. Mee en tegenvallers kunnen in de tijd worden gespreid, waardoor financieel goede jaren de financieel slechte jaren compenseren. En in slechte jaren kunnen tegenvallers verder worden gedempt met de solidariteitsreserve.

Wet verbeterde premieregeling

Sociale partners kunnen ook kiezen voor een regeling op basis van de Wet verbeterde premieregeling (doorbeleggen). Een dergelijk contract kan straks ook door bedrijfstakpensioenfondsen en beroepspensioenfondsen worden uitgevoerd. Voor rechtstreeks verzekerde regelingen is dat al zo en daar verandert door de invoering van de vlakke leeftijdsonafhankelijke premie naar verwachting niet veel aan. Sociale partners kunnen op fondsniveau afspreken dat de variabele uitkering de default wordt voor alle deelnemers. Deelnemers die een vaste uitkering willen kunnen daar nog steeds voor kiezen.

Overgangsmaatregelen

De vaste, leeftijdsonafhankelijke premie geldt in beginsel voor alle pensioenregelingen. Dus ook voor regelingen die nu een actuarieel stijgende premie kennen, zoals regelingen bij een pensioenverzekeraar of PPI. Bestaande rechtstreeks verzekerde regelingen mogen voor de zittende deelnemers ongewijzigd doorlopen. Nieuwe deelnemers komen dan in een nieuwe regeling op basis van de vlakke leeftijdsonafhankelijke premie.

Tijdpad

Het streven is om de voorstellen op 19 juni 2020 in het kabinetsberaad te brengen. Daarvoor spreekt het FNV-ledenparlement zich er over uit. Minister Koolmees stuurt vervolgens een hoofdlijnennotitie naar de Kamer. In 2021 moet dan de benodigde wet- en regelgeving worden opgesteld en door de Kamers geloodst. Uiterlijk per 1 januari 2026 moeten alle pensioenuitvoerders (fondsen, verzekeraars en PPI-en) hun pensioenregeling hebben aangepast.

Commentaar

Op het laatste moment werd het nog even heel spannend. Nadat in februari 2020 een doorbraak werd bereikt doordat de vakbeweging het denken in aanspraken losliet en minister Koolmees de risicovrije rekenrente liet varen, kwam de doorontwikkeling van het nieuwe contract in een stroomversnelling. Voor door pensioenfondsen uitgevoerde regelingen lijkt dit inderdaad een grote verbetering. Minder (schijn)zekerheid, maar daardoor een grotere kans op het behalen van de ambitie en het verlenen van toeslagen. Toen dat varkentje gewassen was, kwamen de zaken die partijen voor zich uit hadden geschoven prominent op tafel.

Omdat het nieuwe systeem met een vlakke staffel ook voor rechtstreeks verzekerde regelingen gaat gelden werden werkgevers geconfronteerd met hoge overgangslasten. De jongere deelnemers krijgen immers meteen de vlakke premie, die hoger is dan de bij hun leeftijd behorende staffelpremie, maar de oudere deelnemers moeten om hun beoogde pensioen te behalen de bij hun leeftijd behorende staffelpremie – die hoger is dan de vlakke premie - blijven krijgen. Anders dan bij pensioenfondsen zijn hiervoor geen andere financieringsbronnen dan een hogere premie. Werkgevers waren niet bereid om deze extra lasten, die tot totaal ruim € 7 miljard kunnen oplopen, voor hun rekening te nemen. Het kabinet wilde ook geen extra financiering ter beschikking stellen en de vakbeweging hield vast aan het beloofde ambitieniveau van 75% in 40 jaar op 68. Daardoor lag er lang een ogenschijnlijk onoplosbaar probleem op de onderhandelingstafel. Uiteindelijk kwam er vlak voor tijd een compromis. Deelnemers in bestaande premieregelingen houden hun bestaande staffel (dus zowel voor de periode waar de leeftijdsafhankelijke premie lager is dan de vlakke premie als voor de periode waarin deze hoger is) en nieuwe deelnemers komen in de nieuwe regeling met een vlakke leeftijdsonafhankelijke staffel. Hiermee is de grootste financiële pijn voor de werkgevers wel geleden, terwijl het ambitieniveau in stand blijft voor deelnemers die tot hun pensioeningangsdatum in dezelfde regeling blijven. Maar het is verre van optimaal. Elke werkgever met een rechtstreeks verzekerde regeling, krijgt nu twee contracten. Eén voor de bestaande deelnemers en één voor de nieuwe deelnemers. Dat leidt tot een verdubbeling van de uitvoeringskosten gedurende de overgangsperiode, die loopt tot het moment dat de jongste deelnemer in de bestaande regeling met pensioen gaat. Deelnemers die naar een andere werkgever gaan, komen daar in de nieuwe regeling met een vlakke staffel. Dat is met name voor oudere werknemers onvoordelig. Zij komen met de vlakke premie gedurende de resterende periode tot hun pensioendatum niet aan het beoogde pensioenresultaat in hun oude regeling. Dit kan ertoe leiden dat de arbeidsmobiliteit voor ouderen danig afneemt. In ieder geval is het een (extra) aandachtspunt voor de (pensioen)advisering van deelnemers die overwegen een andere baan te nemen. Wij denken dan ook dat het laatste woord hier nog niet over is gezegd.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Uitwerking pensioenakkoord, zoals gepubliceerd op www.cmhf.nl.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 15 juni 2020.