Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Verdrag met Duitsland gaat bijna in: grote gevolgen voor pensioenen

11 december 2015

Het succesvol afronden van verdragsonderhandelingen vergt de nodige tijd. Dat geldt ook voor het Verdrag met Duitsland. Met enige vertraging gaat op 1 januari 2016 het Verdrag toch in. In dit nieuwsbericht een overzicht van de gevolgen voor pensioen- en lijfrente-uitkeringen. 

Huidige regeling voor pensioenuitkeringen

Het huidige belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland trad in werking in 1959. Dit verdrag wijst het recht op belastingheffing over pensioenen toe aan het land waar de pensioengerechtigde woont (het zogenaamde woonland). Dus een gepensioneerde die in Duitsland woont en een bedrijfspensioen ontvangt vanuit Nederland, betaalt belasting over deze uitkering in Duitsland. 

De verschuldigde belasting in Duitsland is laag, zeker vergeleken met het fiscale voordeel dat de werknemer in Nederland heeft genoten. Zo worden Nederlandse bedrijfspensioenen voor inwoners van Duitsland in veel gevallen maar voor 18% in de grondslag van de Duitse belastingheffing betrokken, waardoor de Duitse belastingheffing in dergelijke gevallen zeer beperkt is. In de Nota naar aanleiding van het Verslag is het volgende voorbeeld opgenomen. Een pensioeninkomen van € 40.000 wordt in Duitsland voor slechts € 10.172 in de grondslag betrokken. Hierop is het tarief van 3,72% van toepassing. Over het pensioen dat in Duitsland belastbaar is, bedraagt de verschuldigde inkomstenbelasting slechts € 197. Dat is een groot verschil met de Nederlandse belastingheffing waar de totale uitkering belast wordt tegen het normale, progressieve tarief. In Nederland zou ruwweg € 10.000 Nederlandse inkomstenbelasting betaald moeten worden. 

Nieuwe regeling voor pensioenuitkeringen

In het nieuwe verdrag is afgesproken dat gepensioneerden die een pensioen-, lijfrente- of sociale zekerheidsuitkering ontvangen uit het andere land, belast kunnen worden in dat andere land als het gezamenlijke bedrag van die uitkeringen meer bedraagt dan € 15.000 per jaar. Dit betekent dat iemand die in Duitsland woont en een Nederlandse AOW-uitkering en een Nederlands bedrijfspensioen ontvangt van in totaal meer dan € 15.000 per jaar, door Nederland daarover belast zal worden met inkomstenbelasting. Daarmee krijgt Nederland het heffingsrecht over een belangrijk deel van de in Nederland opgebouwde pensioenen. Overheidspensioenen blijven in de staat belastbaar vanwaar ze afkomstig zijn.

Of een pensioen of lijfrente uit een ander land afkomstig is, wordt niet bepaald door de feitelijke betaling uit een in een land gevestigd pensioenfonds of verzekeraar, maar of het pensioen of de lijfrente in het land in aanmerking is gekomen voor fiscale facilitering. Deze bepaling is bijvoorbeeld van belang bij pensioenoverdracht van een Nederlands pensioenfonds naar een Duits pensioenfonds. Bij een dergelijke pensioenoverdracht blijft de oorsprong van het Nederlandse pensioen gehandhaafd, ook al is het bij een Duits pensioenfonds ondergebracht en worden vanuit dit fonds de betalingen gedaan.

Met lijfrente wordt voor de Nederlandse toepassing gekeken naar uitkeringen die deel uitmaken van het belastbare inkomen uit werk en woning in box 1 van de inkomstenbelasting. Met andere woorden, ook uitkeringen uit een bankspaarproduct worden aangemerkt als een lijfrente.

Overgangsregeling

Door het nieuwe verdrag krijgt een grote groep inwoners van Duitsland die nu pensioen ontvangen uit Nederland te maken met een aanzienlijke toename van de belastingdruk. Voor deze groep geldt een overgangsregeling. 
Als algemene overgangsregeling kunnen belastingplichtigen ervoor kiezen om nog een jaar gebruik te maken van het oude verdrag. Daarnaast geldt er een specifieke overgangsregeling van zes jaar voor pensioen-, lijfrente- en sociale zekerheidsuitkeringen. Op deze uitkeringen is tijdelijk een lager belastingtarief van toepassing. Het tariefpercentage loopt geleidelijk op. 

In onderstaande tabel staat het maximale belastingtarief volgens de overgangsregeling. 

Jaar

Maximaal tarief

2016

10%

2017

10%

2018

15%

2019

20%

2020

25%

2021

30%

Het kan aantrekkelijker zijn om in 2016 gebruik te maken van het algemene overgangsrecht. Dan heft Nederland pas in 2017 belasting over pensioen-, lijfrente- of socialezekerheidsuitkeringen. Het specifieke overgangsrecht is dan van toepassing waardoor het maximale tarief 10% in 2017 bedraagt. 

Een gepensioneerde kan alleen kiezen om van de overgangsregeling gebruik te maken als hij vanaf 12 april 2012 onafgebroken inwoner van Duitsland is geweest en de eerste betaling van het betreffende pensioen vóór 1 januari 2016 heeft ontvangen. De gepensioneerde kan de regeling niet meer toepassen zodra hij (tijdelijk) niet meer in Duitsland woont. 

Conclusie

Wanneer iemand emigreert, legt de Nederlandse fiscus een conserverende aanslag op. Deze conserverende aanslag moet de belastingheffing over pensioenen en lijfrenten veiligstellen als de geëmigreerde niet langer aan de voorwaarden voldoet. Denk hierbij aan afkoop van een pensioen of lijfrente. De conserverende aanslag is niet onomstreden. Vandaar dat Nederland bij onderhandelingen over nieuwe belastingverdragen streeft naar een bronstaatheffing voor pensioenen. Nederland kan dan in relatie met het desbetreffende land belasting heffen op basis van het belastingverdrag. In het nieuwe verdrag met Duitsland is Nederland daar goed in geslaagd. Nederland heeft meer verdragen op deze manier gesloten of heronderhandeld. Bijvoorbeeld de verdragen met België, China, Groot Brittannië, Japan, Polen en Portugal. Overigens staat de conserverende aanslag los van het belastingverdrag en blijft gewoon in de wet staan. 

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur internationale pensioenen Aegon Adfis

Bron: Website van de Belastingdienst

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 december 2015