Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Verhoging AOW-leeftijd leidt in het algemeen niet tot onevenredig zware last als geen recht bestaat op OBR

4 juli 2018

In situaties waarin iemand geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de tijdeijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR)  levert het pensioengat dat ontstaat door verhoging van de AOW-ingangsleeftijd over het algemeen geen onevenredig zware last op.

De situatie

X werd op 10 februari 2017 65 jaar. Zijn AOW-ingangsdatum was dus 65 jaar en 9 maanden. Desalniettemin vroeg hij bij de Sociale verzekeringsbank (SVB) een AOW-uitkering aan met als ingangsdatum 10 februari 2017. De SVB wees dit verzoek af en kende vanaf 10 november 2017 AOW toe. X vroeg tevens een uitkering op basis van de OBR aan. De SVB wees ook deze aanvraag af omdat X meer inkomsten had dan de in de OBR genoemde grenzen.

Standpunt X; verhoging AOW-leeftijd leidt tot onevenredig zware last

X gaat tegen de afwijzende besluiten van de SVB in beroep bij de rechtbank. Hij voert aan dat hij door de wetswijziging, waardoor de AOW-ingangsdatum voor hem op 65 jaar en 9 maanden kwam te liggen, onevenredig zwaar wordt getroffen. Indien sprake is van een individueel onevenredig zware last, is sprake van inbreuk op eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie voor een uitgebreide beschrijving en toelichting hierop ons eerdere nieuwsbericht van 9 december 2015. In het door hem en zijn ex-vrouw in 2004 gesloten echtscheidingsconvenant kon nog geen rekening worden gehouden met de verhoging van de AOW-leeftijd. De in het convenant getroffen financiële regeling loopt dan ook slechts tot zijn 65ste verjaardag. De verhoging van de AOW-ingangsleeftijd levert hem een netto inkomensverlies op van ruim € 11.000. Dit is volgens X disproportioneel, met name omdat dit gemiste inkomen ongeveer net zo groot is als zijn resterende netto inkomen in die periode.

Standpunt SVB; geen recht op OBR, dus geen onevenredig zware last

Het beleid van de SVB is dat slechts sprake is van een onevenredig zware last als X iemand in aanmerking komt voor een maandelijkse overbruggingsuitkering op grond van de OBR. De compensatie voor deze last bestaat dan uit een recht op de overbruggingsuitkering. X komt volgens de SVB niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de OBR omdat hij inkomsten had die ruim boven de bijstandsnorm liggen.

Rechtbank: besluit onvoldoende gemotiveerd, maar blijft in stand

De rechtbank overweegt dat de vraag of sprake is van een onevenredig zware last volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van geval tot geval op basis van een deugdelijk individueel feiten onderzoek moet worden beoordeeld. De rechtbank volgt de SVB in het door de SVB gevoerde beleid dat in situaties zoals die van X, waarin hij geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de OBR, het pensioengat over het algemeen geen onevenredig zware last oplevert. Wel kunnen er situaties zijn waarbij, ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de OBR, toch sprake is van een onevenredig zware last. X moet dan wel aantonen dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat uit het besluit van de SVB niet blijkt dat de SVB heeft onderzocht of de door X in de bezwaarfase reeds naar voren gebrachte individuele omstandigheden aanleiding geven om af te wijken van het beleid. Op basis van de eerdere uitspraken van de CRvB had de SVB dat wel moeten doen. Het besluit is volgens de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd en moet daarom worden vernietigd. Maar, ondanks de vernietiging, laat de rechtbank de rechtsgevolgen ervan volledig in stand.

De rechtbank overweegt hierbij dat de AOW in 2012 is gewijzigd. X kon zich dus ruim vijf jaar voorbereiden op de gevolgen van de verhoging van de pensioenleeftijd. Daarom heeft hij naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd gehad om te anticiperen op de voor hem geldende verhoging van de AOW-leeftijd. Volgens de rechtbank is ook overigens niet gebleken dat X onevenredig zwaar getroffen is door de verschuiving van zijn AOW-leeftijd.

X had, ondanks het misgelopen pensioen, gedurende de negen maanden van zijn pensioengat een aanzienlijk inkomen. Dat hij noodgedwongen aandelen heeft moeten verkopen om de inkomensdaling op te vangen, leidt volgens de rechtbank gezien alle omstandigheden van het geval niet tot een onevenredig zware last voor X.

Ook het besluit van de SVB dat X niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de OBR laat de rechtbank in stand. De OBR beoogt volgens de rechtbank compensatie te bieden aan mensen met een inkomen van niet meer dan twee of drie keer het wettelijk minimum loon, bij wie inkomensverlies optreedt. Dit inkomensverlies moet zijn veroorzaakt doordat per 1 januari 2013 de pensioengerechtigde leeftijd is verhoogd, terwijl een bestaand recht op een VUT- of prepensioen eindigt of vermindert bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Bovendien moet het AOW-pensioen het belangrijkste deel van het besteedbaar inkomen zijn. Van personen die een inkomen of vermogen hebben boven de gestelde grenzen wordt verondersteld dat zij voldoende financiële reserves hebben om het tijdelijke inkomensverlies op te vangen.

Commentaar

Over de vraag of de verhoging van de AOW-ingangsdatum een inbreuk op eigendom oplevert, is al diverse malen geprocedeerd. Met wisselende uitkomsten. Zie voor een overzicht ons nieuwsbericht van 16 februari 2018. Het beleid van de SVB dat er per definitie geen sprake is van een onevenredig zware last als geen recht bestaat op een uitkering uit hoofde van de OBR, oordeelde diverse rechterlijke instanties als te kort door de bocht. Er kan op basis van het vereiste deugdelijke individueel feitenonderzoek sprake zijn van een onevenredig zware last, ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de OBR. Dit moet de belanghebbende dat wel aantonen. Omdat de SVB onvoldoende onderzocht of sprake was van individuele omstandigheden die aanleiding gaven om af te wijken van het beleid, vernietigde de rechtbank het besluit van de SVB. Maar daar schoot X niet veel mee op. Want de rechtbank liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand en X stond dus nog steeds met lege handen.

Op zich past deze uitspraak is het rijtje eerdere uitspraken en volgt de rechtbank dezelfde gedachtenlijn als de CRvB. Opvallend detail is dat X zich ook nog beriep op de uitzondering voor zogenoemde “rechtgevende uitkeringen” in de OBR. Deze uitkeringen tellen niet mee bij het bepalen van de inkomensgrens voor de OBR. Dit betreft VUT- en andere prepensioenregelingen en daarmee vergelijkbare regelingen. X had op basis van de WVPS recht op een deel van de pensioenuitkeringen die zijn ex-echtgenote had bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. X stelde dat deze pensioenuitkeringen ook onder “rechtgevende uitkeringen” in de zin van de OBR vielen. De rechtbank komt aan een oordeel over deze vraag niet toe, omdat onbestreden is gebleven dat het inkomen van X te hoog was om in aanmerking te komen voor een OBR.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 20 juni 2018.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 3 juli 2018.