Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Verhoging pensioenleeftijd van 65 naar 67 jaar door pensioenfonds is interne waardeoverdracht

14 november 2017

Een pensioenfonds verhoogt de pensioenleeftijd van 65 naar 67 jaar. Volgens de rechtbank Limburg is dit een collectieve interne waardeoverdracht en (dus) alleen toegestaan zonder bezwaarrecht voor de deelnemers als deze de ingangsdatum weer kunnen vervroegen naar 65 zonder dat dit leidt tot aantasting van de aanspraken. Anders is de waardeoverdracht nietig.

Collectieve interne waardeoverdracht met individueel bezwaarrecht?

Van een interne collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 83 PW is sprake als in geval van een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomst de waardeoverdracht ertoe strekt bij dezelfde pensioenuitvoerder pensioenaanspraken of pensioenrechten te verwerven overeenkomstig de gewijzigde pensioenovereenkomst.Een pensioenfonds verhoogde in 2015 de pensioeningangsleeftijd van 65 naar 67 jaar. Het fonds informeerde de deelnemers dat zij de opgebouwde pensioenaanspraken via een collectieve waardeoverdracht zou omrekenen naar pensioenaanspraken met een ingangsleeftijd van 67 jaar. Daarbij kregen de deelnemers de mogelijkheid om hier niet mee akkoord te gaan. Een drietal gewezen deelnemers maakte bezwaar tegen de omrekening. Desondanks besloot het pensioenfonds de pensioenaanspraken toch om te rekenen naar pensioenaanspraken met een ingangsleeftijd van 67 jaar. De drie deelnemers riepen bij de Rechtbank de nietigheid in van de waardeoverdracht.

Het pensioenfonds beriep zich op de brief van staatssecretaris Klijnsma van SZW van 17 januari 2013. In deze brief geeft de staatssecretaris aan dat een pensioenuitvoerder kan besluiten tot collectieve herrekening naar een hogere pensioenleeftijd. Als die herrekening actuarieel neutraal plaatsvindt en het pensioenreglement voorziet erin dat betrokkene de pensioeningangsdatum individueel weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd terug kan zetten, zonder dat dit op voorhand de rechten aantast, biedt de Pensioenwet hiervoor volgens de staatssecretaris de ruimte. Volgens het pensioenfonds volgt uit de brief dat een dergelijke verhoging van de pensioenleeftijd geen vorm van waardeoverdracht is, omdat de aanspraken materieel niet wijzigen.

Rechtbank: in dit geval wel waardeoverdracht

De Rechtbank constateert dat de opvatting van de staatssecretaris alleen houdbaar is wanneer de wijziging van de pensioeningangsdatum niet als een wijziging van de pensioenovereenkomst en niet als een wijziging van opgebouwde aanspraken wordt gezien. Dat is slechts het geval indien de deelnemer het recht heeft de ingangsdatum van het pensioen te vervroegen naar de oorspronkelijke leeftijd en het nominale pensioenbedrag dan gelijk zal zijn aan het bedrag vóór de verhoging van de pensioenleeftijd. Daarvan is volgens de Rechtbank geen sprake.  Het pensioenfonds gaf namelijk aan dat bij de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd naar 67 jaar het ouderdomspensioen omhoog gaat omdat er een kortere uitkeringsperiode resteert.

Om de onderlinge verhouding tussen de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen, het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen weer in balans te brengen gebruikt het fonds een stukje van de waarde van het opgebouwde ouderdomspensioen om de waarde van het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen op te hogen. Actuarieel bezien is de waarde van de totale aanspraken dus weliswaar gelijk, maar de aanspraken op ouderdomspensioen worden in dat geval wel aangetast wanneer de ingangsdatum van het pensioen weer wordt vervroegd naar 65 jaar. Volgens de Rechtbank kan dat op grond van artikel 83 PW alleen als de deelnemer hier geen bezwaar tegen maakt. Daarvan was geen sprake, zodat de Rechtbank de waardeoverdracht voor de drie klagende gewezen deelnemers nietig verklaarde.

Commentaar

Het is voor pensioenuitvoerders aantrekkelijk om in hun administratie te werken met één pensioenrichtleeftijd. Daarom vroeg de Pensioenfederatie in 2012 aan de staatsecretaris van SZW om de PW zodanig te wijzigen dat pensioenuitvoerders voor zowel bestaande als nieuwe aanspraken – onder actuariële neutrale herrekening – één pensioenleeftijd kunnen hanteren zonder tussenkomst van individuele pensioendeelnemers. De staatssecretaris komt in haar brief van 17 januari 2013 tot de conclusie dat daarvoor wijziging van de PW niet nodig is. De PW biedt volgens haar al de benodigde ruimte als is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van collectieve actuariële neutrale herrekening en het pensioenreglement er in voorziet dat betrokkene de pensioeningangsdatum weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd kan terugzetten. Zij geeft daarbij aan dat een actuarieel neutrale omzetting naar één pensioenleeftijd en het vervolgens individueel terugzetten van naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd tot gevolg kan hebben dat het uiteindelijke pensioenresultaat van de deelnemer leidt tot een verschil ten opzichte van de situatie waarin beide omzettingen niet hadden plaatsgevonden.

In individuele situaties kan dan een positief of een negatief verschil ontstaan omdat bij een collectieve omzetting collectieve grondslagen worden gehanteerd en bij een individuele omzetting moet worden uitgegaan van vervroegingsfactoren die op het moment van daadwerkelijke vervroeging gelden. De besparing van uitvoeringskosten en het belang van heldere communicatie kunnen volgens haar opwegen tegen het mogelijke verschil in het uiteindelijke pensioenresultaat van (een deel van) de betrokken (gewezen) deelnemers. Die uiteindelijke weging van deze belangen is aan de pensioenuitvoerder. De staatssecretaris benadrukt in haar brief dat de wetgever het maken van die evenwichtige belangen afweging – en de verantwoording voor eventueel daaruit voortvloeiende verschillen – niet van de pensioenuitvoerders overnemen.

Toezichthouder DNB plaatste naar aanleiding van de brief een Q&A op haar site. Daarin zegt hij dat geen sprake is van een interne waardeoverdracht indien; 

  • de pensioenuitvoerder de pensioeningangsdatum bestaande pensioenaanspraken collectief actuarieel gelijkwaardig verhoogt en

  • de deelnemer het recht heeft de pensioeningangsdatum te vervroegen naar de oorspronkelijke leeftijd en

  • materieel de pensioenaanspraak of het pensioenrecht nagenoeg gelijk blijft.

Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan dat de deelnemer het recht heeft de pensioeningangsdatum weer te vervroegen naar de oorspronkelijke leeftijd en/of er geen sprake is van een collectieve actuariële gelijkwaardigheid, is volgens DNB wel sprake van een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomst waarbij sprake is van een interne collectieve waardeoverdracht. 

Hoewel het begrijpelijk is dat DNB de brief van de staatsecretaris van enige juridische onderbouwing wil voorzien, is dit een cryptische en verbazingwekkende zinsnede. Immers als voorwaarde voor een collectieve interne waardeoverdracht is in artikel 83, lid 2, onderdeel b opgenomen dat de overdrachtswaarde door de overdragende pensioenuitvoerder zodanig wordt vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt voldaan. De conclusie dat als geen sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid juist wel sprake is van een interne collectieve waardeoverdracht is dan ook op zijn minst bijzonder.

Ook de staatsecretaris van SZW concludeerde dat de eis dat betrokkene de pensioeningangsdatum individueel weer naar de oorspronkelijke pensioeningangsdatum terug kan zetten zonder dat dit op voorhand de rechten aantast en de conclusie dat de uiteindelijke weging van belangen aan de pensioenuitvoerders is, voor uitvoerders toch leidt tot het niet kunnen realiseren van de eerder genoemde besparing van uitvoeringskosten, het onzekerheid van procedures laat bestaan en de beoogde heldere communicatie minder makkelijk wordt gerealiseerd. Daarom stelde ze een wijziging van artikel 83 PW voor waardoor wettelijk wordt vastgelegd dat het individuele bezwaarrecht van deelnemers niet van toepassing is indien alleen sprake is van het verhogen van de pensioeningangsdatum naar een fiscale pensioenrichtleeftijd. Zie daarvoor ons bericht van 4 september 2017.

Ironisch genoeg gebruikt de Rechtbank dit wetsvoorstel nu juist als extra onderbouwing van zijn oordeel dat het collectief actuarieel herrekenen van aanspraken naar een hogere pensioenrichtleeftijd in strijd is met artikel 83 PW. Ook de staatssecretaris heeft volgens de Rechtbank inmiddels onderkend dat op basis van de huidige wetgeving sprake is van waardeoverdracht in de zin van artikel 83 PW. En dat (gewezen) deelnemers dus een individueel bezwaarrecht hebben.

Deze uitspraak zal bij menig pensioenfonds dat de zogenoemde “Klijnsma-route” gebruikte om zonder instemming van de individuele deelnemers de pensioenleeftijd eenzijdig te verhogen tot de nodige onrust leiden. Afgewacht moet worden of hoger beroep wordt aangetekend en of dit oordeel van de rechtbank Limburg dan stand houdt. Het is in ieder geval duidelijk dat het niet bij voorbaat zeker is dat de Klijnsma-route tot het gewenste resultaat leidt. En daarom is het goed dat e.e.a. nu een wettelijke basis krijgt door de wijziging van artikel 83 PW.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Limburg, 8 november 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 13 november 2017.