Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Verknochtheid ontslagvergoeding afhankelijk van tijdstip scheiden huwelijksgemeenschap

7 maart 2019

X tekent in maart 2015 een vaststellingsovereenkomst in verband met ontslag per 1 juli 2015 met recht op een ontslagvergoeding. Op 25 juni 2015 wendt X zich tot rechtbank voor echtscheiding van Y. Het hof is van mening dat Y recht heeft op een deel van de ontslagvergoeding. De Hoge Raad denkt daar anders over.

Ontslagvergoeding alleen verknocht voor gederfd loon na scheiding huwelijksgemeenschap

X en Y zijn sinds 1995 getrouwd in gemeenschap van goederen. In maart 2015 tekent X een vaststellingsovereenkomst in verband met zijn ontslag bij T-Systems per 1 juli 2015. In deze overeenkomst staat dat X een ontslagvergoeding ontvangt per 1 juli 2015 voor gederfd of te derven loon. Voordat het ontslag plaatsvindt, wendt X zich tot de rechtbank met het verzoek om echtscheiding. X ontvangt in de maand juli in totaal ruim € 80.000 als ontslagvergoeding. Op 30 juli 2015 aanvaardt hij een nieuwe baan.

De rechtbank en het hof zijn van mening dat de ontslagvergoeding in de gemeenschap van goederen valt, waarbij het hof een kleine nuance aanbrengt voor de maand juli. In deze maand heeft X geen inkomen. Het hof overwoog daarbij: “Nu het dienstverband van de man bij T-Systems per 1 juli 2015 is geëindigd en hij pas op 30 juli 2015 bij zijn huidige werkgever in Maleisië in dienst is getreden (…), staat vast dat de beëindigingsvergoeding gedeeltelijk de strekking heeft (gehad) van een inkomenssuppletie ter vervanging van gederfd arbeidsinkomen en wel over de periode van 1 juli 2015 tot 30 juli 2015. Het hof ziet dan ook aanleiding een gedeelte van de beëindigingsvergoeding gelijk aan een netto maandsalaris ter hoogte van het laatstgenoten inkomen bij T-Systems als aan de man verknocht aan te merken.”

X is het daar niet mee eens. Hij vindt dat het hof onder meer heeft miskend dat

- de ontslagvergoeding verknocht kan zijn wanneer zij strekt ter vervanging van arbeid dat hij bij voorzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten en,

- de aanspraak op de beëindigingsvergoeding strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid in de periode ná 1 juli 2015.

Volgens X motiveerde het hof niet duidelijk waarom dan toch het grootste deel van de ontslagvergoeding in de gemeenschap van goederen moet vallen.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het hof, omdat X onweersproken stelde dat de aanspraak op de beëindigingsvergoeding strekte tot vervanging van inkomen uit arbeid in de periode vanaf 1 juli 2015. Door het indienen van het (later ingewilligde) verzoek tot echtscheiding is huwelijksgemeenschap tussen partijen ontbonden vóór 1 juli 2015. Hierdoor strekte de aanspraak op de ontslagvergoeding geheel tot vervanging van inkomen uit arbeid in de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Daarmee valt de aanspraak op de beëindigingsvergoeding buiten de huwelijksgemeenschap.

Commentaar

Bij scheiding is regelmatig onenigheid over de verdeling van de ontslagvergoeding. Dat is in de casus van X en Y niet anders. Bijzonder in deze zaak is dat er op het moment van indienen van het echtscheidingsverzoek door X ‘slechts’ een vaststellingsovereenkomst was met een aanspraak op een ontslagvergoeding. Hiermee kwam het issue naar boven welk moment bepalend is bij de vraag of een aanspraak op een beëindigingsvergoeding gemeenschappelijk vermogen is. Dit is volgens de Hoge Raad het moment waarop de huwelijksgemeenschap is ontbonden; het moment waarop het later ingewilligde verzoek tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank.

Hiermee hoefde de Hoge Raad niet meer in te gaan op het verweer van X dat de Hoge Raad op 23 februari 2018heeft geoordeeld dat een ontslagvergoeding ook niet in de huwelijksgemeenschap valt als die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid na ontbinding van de huwelijksgemeenschap wanneer deze niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering.” In deze uitspraak, waar we al eerder een nieuwsbericht over schreven, werd de ontslagvergoeding als verknocht gezien voor het deel dat betrekking heeft op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. In de casus van X en Y kwam de Hoge Raad hier niet aan toe, omdat niet was weersproken dat de ontslagvergoeding een vergoeding was ter vervanging van inkomen uit arbeid die volledig betrekking heeft op de periode na 1 juli 2015, dus na de huwelijksgemeenschap. En omdat er sprake was van vervanging van inkomen uit arbeid.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 7 maart 2019

Bron: Hoge Raad, 22 februari 2019