Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Invoering 36-urige werkweek leidt tot verhoging salaris maar niet tot extra backservice

13 juli 2018

Werkgever voert in plaats van een 40-urige werkweek een 36-urige werkweek in. Het salaris blijft daarbij gelijk. Werknemers die nog steeds 40 uren worden werken, ontvangen een meerurentoeslag die niet pensioengevend is. Dit leidt op basis van de toepasselijke eindloonregeling niet tot extra backservice.

De situatie

X is geboren op 3 maart 1943. Op 23 maart 1964 treedt hij in dienst bij de Rabobank, op 1 maart 2008 ging hij met pensioen.
X bouwde vanaf zijn 25ste pensioen op basis van een eindloonregeling op. Op 1 januari 1996 voerde Rabobank een 36-urige werkweek in. De salarissen bleven daarbij gelijk. Indien een werknemer meer uren werkte, kreeg hij die uitbetaald maar dit gedeelte van het salaris was niet pensioengevend. X werkte ook na de invoering van de 36-urige werkweek 40 uur per week. Hij ontving de meerurentoeslag, maar stelt zich op het standpunt dat hij daarover ook pensioen moet opbouwen. De rechtbank Midden-Nederland wijst zijn vordering af en X gaat in beroep bij het hof.

Het pensioenreglement

Bij zijn indiensttreding kreeg X een pensioentoezegging zoals opgenomen in het Pensioenreglement 1965 (PR 1965). Nadien zijn er wijzigingen van het pensioenreglement geweest in 1978 (PR 1978), 1989 (PR 1989) en 2006.
Het PR 1965 gaat uit van een pensioengrondslag ter grootte van het jaarsalaris zoals dat laatstelijk voor de desbetreffende pensioengerechtigde is vastgesteld. Als jaarsalaris gold volgens het reglement het bedrag dat tussen de bank en de desbetreffende deelnemer als jaarsalaris is overeengekomen.
In het PR 1978 is de pensioengrondslag gedefinieerd als 13 maal het maandsalaris dat voor de desbetreffende (oud-)deelnemers laatstelijk is vastgesteld.
Aan het PR 1989 is per 1 januari 2001 toegevoegd dat de meerurentoeslag pensioengevend was op basis van de per 1 januari 1989 ingevoerde middelloonregeling.

Standpunt X; meerurentoeslag is pensioengevend o.b.v. eindloon

X stelt zich op het standpunt dat de invoering van de 36-urige werkweek voor zijn pensioenopbouw geen consequenties heeft. Hij bleef werkzaam op basis van een 40-urige werkweek en kreeg dus op basis van vier uren een meerurentoeslag. De pensioenovereenkomst houdt een eindloonregeling in en de Rabobank is deze overeenkomst volgens hem niet correct is nagekomen, doordat zij voor zijn pensioenrechten de 36-urige werkweek en de dienovereenkomstige verlaging van de pensioengrondslag al heeft laten ingaan per 1 maart 1968 (de datum waarop hij deelnemer aan het PR 1965 werd) in plaats van per 1 maart 2000. Rabobank heeft aan het pensioenfonds onjuiste gegevens verstrekt waardoor zijn pensioengrondslag onjuist is berekend. Rabobank gaf een pensioengevend eindloon doorgegeven dat hoort bij een standaard werkweek van 36 uur. Volgens X had dat moeten zijn het eindloon dat hoort bij een standaard werkweek van 40 uur, oftewel het door Rabobank doorgegeven bedrag plus de op de vier extra uren gebaseerde meerurentoeslag. Volgens X is sprake van een ‘kunstgreep’ door Rabobank en leidt hij daardoor pensioenschade.

Hof: meerurentoeslag is niet pensioengevend o.b.v. eindloon

Het hof begint met de vaststelling dat voor de vraag wat de pensioentoezegging van Rabobank inhoudt als het gaat om de bepaling van de pensioengrondslag bezien moet worden wat het pensioenreglement daarover bepaalt. Er zijn geen andere schriftelijke stukken betreffende de pensioenovereenkomst. Omdat geen van de partijen indertijd betrokken was bij de totstandkoming van het pensioenreglement en het beoogt om in het algemeen rechten en verplichtingen op uniforme wijze vast te leggen, staan daarom in dit geval de objectieve maatstaven centraal.  Aan de bewoordingen van de regeling  komt in beginsel doorslaggevende betekenis toe. Vervolgens concludeert het hof dat de invoering van de 36-urige werkweek niet gepaard ging met een salarisverlaging. Het voorheen toegekende jaarsalaris dat gold voor een 40-urige werkweek werd immers gehandhaafd. Dat betekent volgens het hof dat er na invoering van de 36-urige werkweek, anders dan X stelt, geen sprake is van verlaging van de pensioengrondslag. 

Ten tijde van de invoering van de 36-urige werkweek werkte X in het buitenland en was de cao op hem niet van toepassing. Na zijn terugkeer in 2000 was voor hem eerst de cao voor het Bankbedrijf en daarna de Rabobank-cao van toepassing. Beide cao’s gingen uit van een 36-urige werkweek en kenden aan werknemers die feitelijk geen 36 uur maar 40 uur werkten (zoals X) een meerurentoeslag toe. 
Tussen partijen is niet in geschil dat deze meerurentoeslag aanvankelijk niet tot de pensioengrondslag behoorde en dat deze pas per 1 januari 2001 pensioengevend is geworden op basis van de middelloonregeling.
Volgens het hof volgt daaruit dat de pensioengrondslag, zoals volgend uit de pensioenovereenkomst steeds het jaarsalaris was en dat daaraan per 1 januari 2001 een extra element, te weten de meerurentoeslag, is toegevoegd. Omdat het jaarsalaris  bij de invoering van de 36-urige werkweek niet is verlaagd, is er ook geen verlaging van de pensioengrondslag geweest. Evenmin biedt de pensioenovereenkomst naar het oordeel van het hof aanknopingspunten om de meerurentoeslag, die pas per 1 januari 2001 pensioengevend is geworden op basis van een andere (middelloon) pensioenregeling, met terugwerkende kracht tot 3 maart 1968 aan de pensioengrondslag toe te voegen. 

Anders dan X betoogt wordt met de berekeningsmethode waarbij voor het bepalen van de pensioengrondslag geen rekening wordt gehouden met  de meerurentoeslag en de op basis hiervan door Rabobank aan het Rabobankpensioenfonds verstrekte gegevens geen geweld gedaan aan het karakter van een eindloonregeling. Die is volgens het hof immers onverkort van kracht gebleven voor het op basis van de 36-urige werkweek onveranderd gebleven bruto jaarsalaris. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat Rabobank de pensioenovereenkomst correct uitvoerde en wijst het hoger beroep van X af. 

Commentaar

Bij de uitleg van een overeenkomst is in zijn algemeenheid mede de bedoelding van partijen van belang. Omdat de opeenvolgende pensioenreglementen tot stand zijn gekomen zonder dat daarover door X en de Rabobank specifiek is onderhandeld, valt de bedoeling van partijen in dit geval niet vast te stellen. Daarom hanteert het hof de zogenoemde ‘cao-norm’. Bij het hanteren van deze norm wordt alleen naar de tekst van de bepaling gekeken en een daarbij eventueel horende toelichting. De achterliggende gedachte hierbij is dat bij een tekst die bestemd is voor gebruik door een groot aantal personen, geen ruimte is voor de vaststelling van bedoeling van partijen. De tekst is in dat geval bepalend, niet wat partijen zelf misschien voor afwijkende ideeën of verwachtingen over die tekst zouden hebben gehad.
De tekst van de pensioenreglementen was duidelijk. De meerurentoeslag was niet pensioengevend voor de eindloonregeling. Het pensioengevend salaris van X bleef door de invoering van de 36-urige werkweek ongewijzigd. Door de invoering van de meerurentoeslag ging hij er zelfs in feitelijk inkomen ruim 10% op vooruit. Maar dit leidde niet tot een extra pensioengevend inkomen en (dus) niet tot backservicerechten uit hoofde van de eindloonregeling.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden, 26 juni 2018.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 10  juli 2018.