Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Verlies eigenwoningstatus door tijdelijk verblijf dochter van uitgezonden militair

Verlies eigenwoningstatus door tijdelijk verblijf dochter van uitgezonden militair

16 december 2019

X is militair en wordt uitgezonden naar Italië. Vanaf januari 2014 staan X en zijn echtgenote samen ingeschreven in Italië. De dochter van het echtpaar is al sinds 2010 een uitwonende student. Vanaf maart 2014 staat zij enkele maanden ingeschreven op het adres van haar ouders in Nederland. Hierdoor verliest de woning in Nederland de status van eigen woning en valt in box3. X is het hier niet mee eens en stapt naar de rechter.

Behoort de dochter tot het huishouden van de ouders?

X woonde tot 2011 in de eigen woning in Nederland. Daarna werd hij uitgezonden naar Turkije en vandaaruit naar Italië in 2014. De echtgenote van X bleef tot 2014 in Nederland wonen en ging in januari 2014 bij haar echtgenoot in Italië wonen. Hun dochter woonde tot 10 oktober 2010 thuis en ging toen als studente op kamers wonen. Zij schreef zich daar ook in en ontving een beurs voor uitwonende student. Elk wekeinde kwam zij naar huis, maar ze stond niet meer ingeschreven op het ouderlijk adres. In maart 2014 kwam zij, toen haar ouders in Italië woonden, gedurende twee maanden weer in haar ouderlijk huis wonen. Omdat haar kamer was verhuurd, schreef zij zich in op het adres van haar ouderlijk huis. Daarna ging zij voor een stage naar Suriname. In 2017 keerden X en zijn echtgenote weer terug naar Nederland en gingen weer wonen in de eigen woning.

De belastinginspecteur merkte de woning na maart 2014 niet meer aan als eigen woning en legde daarom aanslagen op in verband met onterecht in aftrek gebrachte hypotheekrente (box 1) en in verband met extra vermogen met betrekking tot de woning (box 3). De reden hiervoor is dat de woning in Nederland alleen een eigen woning kan blijven tijdens de uitzendregeling als de woning niet ter beschikking wordt gesteld aan derden.

X meent dat de dochter tot zijn huishouding behoorde toen zij in 2014 tijdelijk in haar ouderlijk huis woonde en dat daarom de goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën van 2 november 2009 van toepassing is. Daarin staat dat de uitzendregeling kan worden toegepast als kinderen in de woning blijven wonen, onder de voorwaarden:

“- Vanaf het moment van de uitzending wonen uitsluitend de kinderen van de belastingplichtige of zijn partner in de woning.

- De kinderen zijn jonger dan 27 jaar. Als een kind 27 jaar wordt, vervalt vanaf dat moment de goedkeuring.

- De kinderen behoorden direct voorafgaand aan de uitzending tot het huishouden van de belastingplichtige.

- De kinderen blijven de woning om niet bewonen. Er wordt dus geen huur betaald.

De hiervoor bedoelde kinderen worden in dit kader niet gezien als derden. Als die kinderen verhuizen, kan de uitzendregeling dus van toepassing blijven.”

X moet bewijzen dat de dochter voorafgaand aan zijn uitzending of ten tijde van bewoning van de ouderlijke woning tot zijn huishouding behoorde. Het hof is van mening dat X daarin niet is geslaagd om de volgende redenen:

  • De dochter was een uitwonende studente, stond in een andere woonplaats ingeschreven en was daar vijf dagen per week. Daarmee heeft zij een maatschappelijk zelfstandige positie, buiten het gezin van de ouders, ingenomen. Hieraan doet niet af dat zij in financieel opzicht afhankelijk was van haar ouders.
  • In de maanden in 2014 dat de dochter in haar ouderlijk huis woonde, werkte X in Italië en had hij daar zijn hoofdverblijf. Ook de echtgenote was op dat moment geëmigreerd naar Italië. De dochter had in tegenstelling tot haar ouders haar hoofdverblijf in Nederland en stond op het adres van de woning ingeschreven. Zij behoorden dus niet tot hetzelfde huishouden.
  • De dochter, die gedurende meerdere jaren als uitwonende student een studie heeft doorlopen, moet in beginsel als zelfstandig worden beschouwd en behoort dus niet tot het huishouden van de ouders. Dat blijft zo als de dochter na die periode waarin ze uitwonend was, tijdelijk weer in het ouderlijk huis verblijft.

 

De woning van X wordt na 10 maart 2014 niet als eigen woning aangemerkt.

Commentaar

X biedt zijn dochter een tijdelijk verblijf aan in haar ouderlijk huis, omdat ze twee maanden geen woning heeft voordat ze naar haar stageverblijf in Suriname zou gaan. Artikel 3.111 lid 6 Wet IB 2001 geeft aan dat de woning in Nederland bij uitzending een eigen woning kan blijven, mits gedurende de gehele uitzending geen derden de beschikking krijgen over de woning of zelfs een deel van de woning. Kinderen zijn in dit geval ook derden, tenzij ze onder de hierboven genoemde goedkeuring vallen. En daar viel de dochter niet onder, omdat ze eerder op een ander adres stond ingeschreven en haar ouders op moment van verblijf in Italië stonden ingeschreven. Ook al was de dochter financieel afhankelijk van haar ouders, werd ze toch als financieel en maatschappelijk zelfstandig gezien.

Een terechte, maar harde uitspraak voor nog geen twee maanden logeren in het ouderlijk huis. Als de dochter zich niet had ingeschreven in de woning in Nederland, maar bijvoorbeeld bij haar ouders in Italië, had ze gewoon in het huis in Nederland kunnen wonen, zonder deze zware fiscale consequenties.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Bosch, 29 november 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 16 december 2019