Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Vermelding toekomstige AOW-leeftijd in pensioenoverzicht is mededeling van informatieve aard die niet gericht is op rechtsgevolg

Vermelding toekomstige AOW-leeftijd in pensioenoverzicht is mededeling van informatieve aard die niet gericht is op rechtsgevolg

25 augustus 2020

Als gevolg van de gewijzigde wetgeving herroept de Sociale Verzekeringsbank een pensioenoverzicht. De aanvangsleeftijd is niet meer bepaald op 15 jaar, maar op 16 jaar en 8 maanden. Dit leidt voor in het buitenland wonende persoon niet tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Er is geen sprake van schending van het proportionaliteitsbeginsel, geen sprake van een onevenredig zware last en geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel.

Wijziging AOW-leeftijd leidt tot aanpassing pensioenoverzicht

Als gevolg van de wijziging van de AOW werd de pensioenleeftijd van X, geboren in 1953 in plaats van 65 jaar 66 jaar en acht maanden. De consequentie daarvan is tevens dat de opbouwperiode niet meer op de 15-jarige leeftijd begon, maar pas vanaf 16 jaar en acht maanden, zodat de totale opbouwperiode tot aan de AOW-ingangsdatum 50 jaar bleef. Voor X is dit relevant omdat zij in Zwitserland woont en dus geen AOW-opbouw meer heeft. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) paste het pensioenoverzicht van X aan aan de gewijzigde wetgeving. Hiermee verviel de opbouw van X over een periode van een jaar en acht maanden (van haar 15e tot 16 jaar en 8 maanden).

X tekent bewaar en beroep aan tegen aangepaste pensioenoverzicht

X maakt bezwaar tegen de herziening van haar pensioenoverzicht. Zij stelt dat de stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd voor haar een onevenredig zware last meebrengt. De SVB stelt dat de vraag of sprake is van een onevenredig zware last pas kan worden beoordeeld in het kader van de toekomstige aanvraag van het AOW-pensioen en wijst het bezwaar af.

In beroep concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit niet strekt tot het vaststellen van de pensioengerechtigde leeftijd van X omdat daarbij slechts is beslist over de verzekerde tijdvakken tot aan de datum van het bestreden besluit. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat nog niet kan worden vastgesteld of sprake is van een onevenredig zware last, omdat dit afhangt van de financiële situatie van X op het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Het beroep van X op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens de rechtbank niet omdat de SVB rekening moet houden met de veranderde wetgeving. De rechtbank overweegt in dit verband dat de verhoging van de AOW-leeftijd in zijn algemeenheid proportioneel is met de doelstelling ervan. Naar het oordeel van de rechtbank is de wetswijziging niet discriminerend voor geëmigreerde voormalige verzekerden en hoefde de SVB X niet in de gelegenheid te stellen zich vrijwillig bij te verzekeren voor de AOW.

X gaat in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep

X tekent bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep aan tegen de uitspraak van de rechtbank. De Raad verwijst in zijn uitspaak naar haar eerdere uitspraak van 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2610). Daarin oordeelde de Raad dat de vermelding van de toekomstige AOW-leeftijd in een pensioenoverzicht een mededeling is van informatieve aard, die in het kader van een pensioenoverzicht niet gericht is op rechtsgevolg en daarom voor dat deel geen besluit is waartegen in rechte kan worden opgekomen. Hiermee is volgens de Raad niet gezegd dat X een effectief rechtsmiddel tegen de toekomstige ingangsdatum van haar AOW wordt onthouden. Zij kan immers bezwaar maken tegen het besluit dat wordt afgegeven naar aanleiding van haar aanvraag om een AOW-uitkering.

In de genoemde uitspraak van 18 juli 2016 ging de Raad ook in op de vraag of sprake was van inmenging in het eigendomsrecht. Volgens de Raad is dat het geval omdat door de verschuiving van de aanvangsleeftijd van X, ten tijde van het pensioenoverzicht met één jaar en acht maanden, de eerdere één jaar en acht maanden van opbouw van verzekerde tijdvakken zijn vervallen. De overwegingen in deze uitspraak dat dit niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM zijn volgens de Raad ook van toepassing op de situatie van X. De wijziging van de ingangsdatum van de AOW en de verhoging van de AOW-leeftijd zijn in het algemeen proportioneel te achten en leiden in het algemeen niet tot niet tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Of in individuele gevallen sprake is van een onevenredig zware last en van schending van artikel 1 Eerste Protocol moet van geval tot geval en op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld. Of de verhoging van de aanvangsleeftijd van de AOW-opbouw voor X leidt tot een onevenredig zware last, kan volgens de Raad pas worden bezien in het kader van de besluitvorming die betrekking heeft op de toekenning van de AOW-uitkering en de ingangsdatum daarvan. Met andere woorden X is te vroeg.

De Raad van Beroep bevestigt dan ook de uitspraak van de rechtbank

Commentaar

De wijziging van de AOW-ingangsleeftijd leidt in beginsel niet tot een wijziging van de opbouwperiode. Die blijft 50 jaar. Alleen liep hij in eerste instantie van 15 jaar tot 65 jaar en straks van 17 jaar tot 67 jaar. Voor iemand die zijn gehele leven in Nederland woont, verandert er wat dat betreft dus niets. Maar voor mensen die vóór hun AOW-ingangsdatum emigreerden wél. Zij krijgen te maken met een kortere opbouwperiode en (dus) met een lagere uitkering. Daartegen maakte X bezwaar.

Een door de SVB afgegeven pensioenoverzicht is echter een mededeling van informatieve aard en niet gericht op het tot stand brengen van rechtsgevolgen. De aanpassing van het eerder afgegeven pensioenoverzicht vindt zijn oorzaak in gewijzigde wetgeving. Wat dat betreft koos X het verkeerde anker om voor te gaan liggen. Het besluit van de SVB een aan de gewijzigde wetgeving aangepast pensioenoverzicht af te geven, wijzigt als zodanig de aanspraken van X niet. Dat is het gevolg van die gewijzigde wetgeving. Om daar tegen bezwaar te maken, moet er een besluit zijn over de daadwerkelijke toekenning van de AOW. Pas op dat moment is er een juridische titel om bezwaar te maken en kan worden vastgesteld of er in het concrete geval sprake is van een onevenredig zware last.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Centrale Raad van Beroep 19 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1927

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 24 augustus 2020.