Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Verrekening pensioen bij echtscheiding belast

23 januari 2018

Een man en een vrouw komen bij de echtscheiding overeen dat de pensioenen voor een groot gedeelte aan de man toekomen. De vrouw wordt gecompenseerd met een overbedeling in de aan haar toegewezen woning. Volgens het Gerechtshof leidt deze verdeling tot een belastbare periodieke uitkering bij de vrouw.

Overbedeling pensioen en lijfrente

Mevrouw Y en de heer D zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. In 2010 is het huwelijk ontbonden door echtscheiding en inschrijving in de registers van de burgerlijke stand. In echtscheidingsconvenant van 12 november 2009 zijn de huwelijksgemeenschap en het pensioenvermogen verdeeld. De echtelijke woning met hypotheek en spaarpolis wordt toebedeeld aan de mevrouw Y. Met betrekking tot het pensioen wijken Y en D af van de wettelijke standaardverevening. Het merendeel van het pensioenvermogen wordt toebedeeld aan de heer D. De lijfrentepolis wordt onevenredig gedeeld.

Bij het echtscheidingsconvenant is een bijlage gevoegd van de verdeling van de huwelijksgemeenschap en het pensioenvermogen. De verdeling van het vermogen- voor zover hier relevant - is als volgt:

Bestanddeel

Totale waarde

Toegerekend aan Y

Toegerekend aan D

Pensioenvermogen

 

€   777.453

€   229.544

€  547.909

Lijfrente verzekering

 

€   158.405

€     68.659

€    89.746

Woning (1)

 

€   525.449

€  525.449

€              0

Totaal

€ 1.461.307

€  823.652

€  637.655

 

(1)          minus de hypotheekschuld en plus de waarde van de spaarpolis

Volgens de bijlage bij het convenant is het totale vermogen in het kader van de echtscheiding op een zodanige wijze verdeeld dat ieder van de echtgenoten een vermogen ontvangt met een totale waarde van afgerond € 800.000. 

De Inspecteur legt over het jaar 2010 aan mevrouw Y  een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op. Volgens hem is de heer D bij de verdeling van de pensioenrechten en lijfrente voor een bedrag van € 169.726  overbedeeld. Dit is het bedrag dat D krijgt boven de helft van de pensioenrechten en lijfrente. Deze ‘overbedeling’ heeft in de berekening van de Inspecteur voor een bedrag van € 159.183 (50% van € 777.453  - € 229.544) betrekking op de pensioenrechten en voor een bedrag van € 10.543 (50% van € 158.405  - € 68.659) op de lijfrente. Y is voor haar ‘onderbedeling’ met betrekking tot de pensioenrechten en de lijfrente gecompenseerd door een ‘overbedeling’ van de andere vermogensbestanddelen van de boedel, in het bijzonder het woonhuis. Hierdoor heeft Y volgens de Inspecteur een aangewezen periodieke uitkering genoten.

Hof Den Bosch

Volgens de Inspecteur hoort het bedrag van € 169.726, dat Y heeft ontvangen als tegenwaarde voor de “overbedeling” van D voor pensioen en lijfrente,  tot de aangewezen periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3:102, lid 3, van de Wet IB. Dit artikel  luidt als volgt:

“Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoort wat in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt ontvangen ter zake van het recht op verrekening van:

a. pensioenrechten;

b. lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.”

Pensioenrechten

Pensioenrechten behoren niet tot de huwelijks gemeenschap. De Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (hierna: WVPS) regelt dat bij echtscheiding, de gedurende het huwelijk opgebouwde aanspraken op een ouderdomspensioen worden verevend, ongeacht het huwelijksgoederenregime. Partijen kunnen daarbij afwijken van de standaard (50-50) verevening en ook kiezen voor conversie.

Het Hof stelt vast: “Als partijen kiezen voor de alternatieve methode waarbij de vereveningspercentages afwijken van de standaardverdeling bij helfte is er geen aanleiding tot een correctie bij de verdeling van de boedel volgens de huwelijksgemeenschap. Er ontstaat dan geen onder- of overbedeling met betrekking tot de te verdelen boedel naar aanleiding van afwijkende vereveningsafspraken. Nu de pensioenverevening van rechtswege plaatsvindt, hoeft bij scheiding en deling van enige gemeenschap in geval van echtscheiding geen rekening te worden gehouden met pensioenrechten. Dit betekent vanuit civielrechtelijk oogpunt dus geen ruil van vermogensbestanddelen bij de boedelverdeling, omdat de pensioenrechten daar geen onderdeel van uitmaken, tenzij de voormalige echtelieden hebben afgezien van de toepassing van de WVPS.”

Volgens het Hof hebben partijen niet afgezien van de toepassing van de WVPS, maar zijn zij desondanks overgegaan tot pensioenverrekening, waarbij mevrouw Y een deel van haar pensioenaanspraken heeft afgestaan in ruil voor het aan haar toebedelen van het woonhuis.  Mevrouw Y heeft een deel van haar pensioenrechten uitgeruild tegen het tot de huwelijksgemeenschap behorende woonhuis. Deze methode van verrekenen valt onder het eerder genoemde artikel 3:102, lid 3, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB.

Lijfrenterecht

Mevrouw Y bestrijdt niet het standpunt van de Inspecteur dat de lijfrenterechten ter grootte van € 10.543 zijn verrekend en derhalve ook als periodieke uitkering belastbaar zijn. Het Hof acht dit eensluidend standpunt van partijen juist.

Het Hof vindt dat Y in 2010 de tegenwaarde van de “overbedeling” pensioen ad € 159.183 en lijfrente ad € 10.543 heeft genoten als aangewezen periodieke uitkeringen en dat deze door de Inspecteur terecht zijn gerekend tot haar belastbare inkomen.

Commentaar

Het lijkt erop dat partijen in deze een redelijke verdeling zijn overeengekomen. Ieder krijgt immers een aandeel in het totale vermogen van ongeveer € 800.000. Maar in dit geval worden belastbare bestanddelen geruild tegen onbelaste bestanddelen. En daardoor gaat het mis. Partijen mogen op grond van de WVPS wel afwijken van de standaard verevening maar mogen deze afwijking niet compenseren met overbedeling van goederen die tot het gemeenschappelijke vermogen behoren. Doen ze dat wel dan is sprake van het genieten van belastbare periodieke uitkeringen.

Mevrouw Y moet dus belasting betalen over de overbedeling van de eigen woning  omdat ze hiervoor een deel van de rechten op pensioen en lijfrente prijs geeft. Leidt dit dan tot een dubbele belasting? Naar onze mening niet. Want op grond van artikel 6, eerst lid, onderdeel d Wet IB mag de heer D bedragen die zijn voldaan ter verrekening van pensioenrechten en lijfrente in aanmerking nemen als persoonsgebonden aftrek. Kennelijk hebben partijen deze fiscale consequenties niet voorzien anders hadden ze hier rekening mee kunnen houden bij het vaststellen van de bedragen.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14-12-2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 18 januari 2018.