Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Verschil in indexatiebeleid in actieve en inactieve periode; uitleg pensioenovereenkomst

14 oktober 2019

Werkgever en werknemer maken afspraken over indexatie in de opbouwperiode en de periode na pensioeningang. Maar niet over de periode waarin de werknemer niet meer opbouwt en nog niet met pensioen is. Gerechtshof vult de afspraken op dit punt aan op basis van bedoelingen van partijen en de over en weer gewekte verwachtingen.

Inbreng individuele pensioenregeling in collectieve regeling

X is van mei 1984 tot juni 2011 in dienst geweest bij werkgever Y. X en Y sluiten een vaststellingsovereenkomst waarbij zij het dienstverband beëindigen. In deze overeenkomst staat onder meer; “per de einddatum nemen alle verzekeringen en/of regelingen waaraan de Werknemer uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst met Werkgever deelneemt, een einde. De opgebouwde pensioenrechten blijven voor Werknemer behouden en zijn premievrij.”

X had in eerste instantie een individuele pensioenregeling in de vorm van een C-polis met een streefregeling. Y stelt voor om met ingang van 1 januari 2007 over te gaan naar een collectieve middelloonregeling met affinanciering van de bestaande aanspraken en inbreng daarvan in de collectieve middelloonregeling. Zowel X als Y laten zich bij de gesprekken over de wijziging van de pensioenregeling bijstaan door externe deskundigen. De adviseur van X vraagt daarbij nadrukkelijk aandacht voor de indexatie van de aanspraken die vóór 1 juli 2007 zijn opgebouwd. De adviseur van Y schrijft daarop op 18 februari 2008; “het is uitdrukkelijk de bedoeling dat de tot en met 31 december 2006 opgebouwde rechten alsmede de nieuw op te bouwen rechten worden geïndexeerd op basis van de jaarlijkse loonindex (cao-verhoging) bij Y. Dit dient als zodanig expliciet in de pensioenbrief te worden verwoord”.

Op 26 februari 2008 stuurt de adviseur van Y een e-mail aan de advocaat van X om het in het overleg tussen de adviseurs van beide partijen bereikte resultaat ten aanzien van het pensioen van X voor alle partijen helder vast te stellen. Daarin staat; “Ten aanzien van het indexatiebeleid van de tot 1 januari 2007 opgebouwde pensioenrechten is het volgende afgesproken. De tot 31 december 2006 opgebouwde rechten alsmede de nieuw op te bouwen rechten worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de jaarlijkse loonindex (cao-verhoging) bij Y. Dit zal als zodanig expliciet in de pensioenbrief worden verwoord.

Er blijkt tussen partijen geen verschil van mening te zijn over de indexatie vanaf 65 jaar. Hierover zijn door partijen geen afspraken gemaakt wat erop neerkomt dat een eventuele indexatie moet worden gefinancierd uit het beschikbaar gestelde kapitaal op einddatum”.

Nog dezelfde dag stuurt de adviseur van X een e-mail terug waarin hij zegt; “Hierin wordt eigenlijk alles verwerkt cq. bevestigd zoals ik al had aangegeven. In dien zin lijken er dan geen onduidelijkheden meer te bestaan, mits al deze afspraken goed worden vastgelegd en door de pensioenverzekeraar administratief ook op een juiste wijze worden verwerkt”. Op 7 maart 2008 tekenen partijen een addendum bij de arbeidsovereenkomst dat voor het pensioen verwijst naar het memo van de adviseur van Y van 18 februari 2008.

Toch wel onduidelijkheden

Nadat X, voor het bereiken van zijn pensioeningangsdatum, zijn arbeidsovereenkomst door middel van de vaststellingsovereenkomst had beëindigd, bleek er toch onduidelijk te zijn over de indexatie van zijn pensioen. Volgens X moest Y zijn pensioenaanspraken tot aan het bereiken van de pensioendatum indexeren. Y vond dat dit na het einde van het dienstverband met X niet meer hoefde. De kantonrechter Zeeland-West Brabant wees in eerste instantie de vordering van X tot indexeren tot de pensioendatum af. De kantonrechter oordeelde dat tussen partijen niet expliciet is voorzien in een verplichting – of het ontbreken daarvan – tot toepassing van de loonindexering op de reeds opgebouwde pensioenaanspraken na uitdiensttreding vóór het bereiken van de pensioenleeftijd en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, waaronder meer in het bijzonder die met betrekking tot de stelplicht en bewijslast. X tekende hiertegen beroep aan bij het hof Den Bosch.

Het hof constateert dat partijen met name van mening verschillen over de uitleg van de zin; “De tot 31 december 2006 opgebouwde rechten alsmede de nieuw op te bouwen rechten worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de jaarlijkse loonindex (cao-verhoging) bij Y”.  Uit de omstandigheid dat in de in de e-mail van 26 februari 2008 vastgelegde afspraken slechts een uitzondering wordt gemaakt voor indexering na het bereiken van de pensioenleeftijd leidt X af dat de indexering van de opgebouwde aanspraken ook na uitdiensttreding dient te worden voortgezet. Het standpunt van Y komt er volgens het hof op neer dat na uitdiensttreding geen andere indexatie meer van toepassing is dan op grond van de collectieve regeling waarbij het pensioen van X was ondergebracht en dat vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen sprake meer is geweest van nog op te bouwen pensioenaanspraken.

Hof kijkt naar verklaringen, gedragingen en de daaruit voortvloeiende redelijke verwachtingen

Het hof volgt de redenering van de kantonrechter die overwoog dat de betekenis van een omstreden beding in een overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld  aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat beide partijen zich bij de onderhandelingen over de pensioenovereenkomst hebben laten bijstaan door ter zake deskundigen.

Het hof komt uiteindelijk tot de volgende slotsom. Bij de onderhandelingen in 2008 over een nieuwe pensioenovereenkomst dan wel een aanpassing van de bestaande overeenkomst, hebben partijen niet stilgestaan bij de mogelijkheid dat X vóór ingang van de pensioendatum het dienstverband met Y zou beëindigen, hoewel ze wel hebben nagedacht over de consequenties die de salarisontwikkeling van X mogelijk voor zijn pensioen zou hebben. Toen uitvoering moest worden gegeven aan de afspraken, is X blijkens de inhoud van het memo van de adviseur van Y gewezen op een onderscheid tussen actieven (werknemers van Y) en inactieven (ex-werknemers van Y) met betrekking tot de indexering van pensioenaanspraken in de periode vóór ingang van de pensioendatum. In dit memo stond onder meer dat in de actieve periode de opgebouwde rechten jaarlijks worden verhoogd met de cao verhoging en dat in de inactieve periode een verhoging plaatsvindt op basis van de inflatie voor zover het toeslagenfonds dat toe laat. Omdat X als reactie op dit memo aan Y liet weten dat de memo een juiste weergave van het gesprek bevatte tussen hem en de deskundige van Y, rekent het hof de bekendheid van het indexeringsbeleid aan X toe. Het is hem expliciet voorgehouden en in zijn antwoord verklaart hij zich akkoord met de regeling zoals opgenomen in het memo, waarna hij ook het verzoek van de pensioenverzekeraar voor akkoord ondertekent, zonder voorbehoud ten aanzien van de indexeringsregeling.

Het hof oordeelt dan ook, net zoals de kantonrechter dat deed, dat uit deze gang van zaken volgt dat X heeft ingestemd met een pensioenovereenkomst die een onderscheid maakt ten aanzien van het indexeringsbeleid tussen actieven en inactieven. In elk geval heeft X volgens het hof kunnen en moeten begrijpen dat het de bedoeling was van Y om een dergelijk onderscheid op te nemen en heeft hij, door hierop zijn akkoord te geven, bij Y het vertrouwen gewekt dat hij met een dergelijk indexeringsbeleid instemde.

Het hof bekrachtigt vervolgens het vonnis van de kantonrechter.

Commentaar

Ook als de onderhandelingen over (het wijzigen van) een pensioenovereenkomst lang duren en er van beide kanten de nodige deskundigen worden ingezet, blijft er wel eens een los eindje over. Ondanks alle deskundigheid vergaten alle partijen dat er, naast de periode met een dienstverband en de periode waarin het pensioen is ingegaan, ook een periode kan zijn waarin een deelnemer slaper wordt. Dat wil zeggen dat hij geen pensioen meer opbouwt omdat er geen dienstverband meer is, maar hij ook nog geen pensioen ontvangt omdat hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. In dergelijke gevallen moet de rechter aan de hand van de bedoelingen van partijen en de over en weer gewekte verwachtingen de overeenkomst aanvullen.

Het feit dat X zich liet bijstaan door een adviseur speelt een belangrijke rol in deze casus en de uitkomst voor X. De rechter gaat ervan uit dat X hierdoor wist waarvoor hij tekende en pakt de uitspraak negatief uit voor X. Of en in hoeverre X zijn adviseur hierop aansprak, vertelt het verhaal niet.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Hof Den Bosch, 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3661

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 oktober 2019.