Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Verzekeraar mag aandelen in beleggingsdepot verkopen wegens te lage dekkingsgraad

6 oktober 2017

Een werkgever had een pensioencontract met een verzekeraar waaraan een beleggingsdepot was gekoppeld. Toen de dekkingsgraad van het depot onvoldoende was en de werkgever geen aanvullende zekerheden wilde stellen, mocht de verzekeraar alle in het depot aanwezige aandelen verkopen en vervangen door beleggingen die qua duratie matchten met de verplichtingen.  zodat er geen sprake meer was van een renterisico omdat de werkgever geen aanvullende zekerheden stelde.  

Verzekerd contract met dekkingsgraad

Werkgever X sloot met verzekeraar Z een uitvoeringsovereenkomst voor de uitvoering van de pensioenregeling van X. Aan de uitvoeringsovereenkomst koppelde de verzekeraar een gesepareerd beleggingsdepot. In de uitvoeringsovereenkomst stond dat het beleggingsdepot voldoende middelen moet bevatten om, gegeven het langlevenrisico en de beleggingsrisico’s er zeker van te kunnen zijn dat alle verzekerde uitkeringen uit het depot kunnen worden voldaan. Daartoe hanteert Z een door haar ontwikkeld dekkingsgraadmodel. Dit model is een benadering van de op enig moment aanwezige beleggingen en verplichtingen. Bij een onvoldoende dekkingsgraad kan Z extra zekerheden verlangen van X, of de beleggingsmix eenzijdig aanpassen.

Dalende dekkingsgraad; extra zekerheden

In mei 2012 zakt de dekkingsgraad van het depot, met name door de dalende rente, onder de 100%. Z en X gaan daarop in overleg over een oplossing. X geeft in februari 2013 aan dat hij de pensioenregeling zodanig wil wijzigen dat de ingangsdatum van het pensioen gelijke tred gaat houden met de verhoging van de AOW-leeftijd. Ook wil X een meer recente overlevingstafeltoepassen. Volgens X wijzen globale berekeningen uit dat de dekkingsgraad door deze wijzingen een meer dan acceptabel niveau bereikt.

In april 2013 vraagt Z aan X een bankgarantie te stellen, zodat de beleggingsportefeuille niet hoeft te worden aangepast. X verwijst naar de bespreking van februari en geeft aan dat er wat hem betreft geen aanleiding is een extra bankgarantie te stellen of de beleggingsmix te wijzigen. Op 16 april 2013 antwoordt Z dat de situatie sinds 21 februari fors is verslechterd door verdere daling van de rente. Tenzij X de aanvullende bankgarantie afgeeft, zal Z op basis van het door haar gevoerde dekkingsgraadbeleid de beleggingsportefeuille zodanig aanpassen dat alle risico’s geëlimineerd worden en de beleggingen qua duratie matchen met de verplichtingen.

X geeft op 17 april 2013 telefonisch aan geen aanvullende bankgarantie te zullen afgeven. Z verkoopt daarop op 18 april 2013 alle aandelen uit het gesepareerde beleggingsdepot en koopt voor de opbrengst participaties in een long duration fund. Op 4 juli 2013 vraagt X aan Z de verkoop van de aandelen en de aankoop van de participaties ongedaan te maken tegenover het verstrekken van een bankgarantie van € 10 miljoen. Z gaat hier niet in mee en X dagvaart Z voor de rechtbank Amsterdam en vraagt vergoeding van de schade die is geleden door de verkoop van de aandelen.

Rechtbank, Hof en HR geven verzekeraar  gelijk

De rechtbank Amsterdam wijst de vordering van X af. Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank. Volgens het Hof heeft Z geen onaanvaardbaar gebruik gemaakt van de beoordelingsvrijheid die hij aan de uitvoeringsovereenkomst ontleent en de keuzes en afwegingen die zij op grond van deze uitvoeringsovereenkomst moest maken. Z heeft ondubbelzinnig en voldoende onderbouwd aan X medegedeeld dat zij tot verkoop zou overgaan. De Hoge Raad volgt de AG in zijn conclusie dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Commentaar

Voor ons als pensioenjuristen is de vraag hoe het zo ver heeft kunnen komen dat deze kwestie tot de Hoge Raad toe wordt uitgeprocedeerd veel interessanter dan de niet-pensioenjuridische argumentatie van partijen.

Wat voor product lag hier nu eigenlijk onder? Een rechtsreeks verzekerd contract met een dekkingsgraad lijkt een contradictio in terminis. Dekkingsgraden kennen we bij de verplichtingen van een pensioenfonds. Niet bij verzekerde contracten. Die kennen een garantie en hebben uit dien hoofde per definitie een dekkingsgraad van 100%. Alleen niet gegarandeerde toeslagen kunnen afhankelijk zijn van de resultaten van een gesepareerd belegginsdepot. Het heeft er alle schijn van dat Z voor het verzekerde contract probeerde de situatie bij een pensioenfonds te simuleren. Zo lang het beleggingsdepot voldoende dekkingsgraad heeft, is er niet aan de hand. Is er sprake van een dekkingstekort, dan moet de werkgever bijstorten, of zet de verzekeraar het renterisico dicht. Opvallend hierbij is dat dit rente risico in eerste instantie wordt gelopen op het depot en, door de bijbetalingsverplichting dus door de werkgever. Dit is opvallend omdatbij een rechtstreeks verzekerderegeling , anders dan bij een pensioenfonds, de pensioenen zijn gegarandeerd door de verzekeraar. Ook bij een dekkingstekort. Een verzekeraar kan opgebouwde aanspraken en rechten niet afstempelen, een pensioenfonds wel. Daarom vraagt de verzekeraar een vergoeding voor de verleende garantie.

Het lijkt erop dat partijen via deze constructie derelatief hoge garantiekosten hebben willen vermijden en vervangen door de bijstortverplichting van de werkgever. Omdat opgebouwde aanspraken en rechten niet verlaagd mogen worden, loopt ook de verzekeraar dus een risico als de werkgever, zoals in dit geval, niet aan zijn bijstortverplichting kan of wil voldoen. De door de werkgever gesuggereerde oplossing om de pensioenregeling aan te passen, werkt alleen voor de toekomst. Bij een verzekeraar opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten kunnen niet worden verlaagd. Ook niet bij een dekkingstekort, zoals dat bij pensioenfondsen wel kan. Versobering van de pensioenregeling levert dus alleen in de toekomst een besparing op en lost het acute probleem van de dekkingsgraad niet op. Gezien de bedragen waar het hier om gaat van miljoenen euro’s (tot € 10 miljoen!) is het niet denkbeeldig dat de werkgever in financiële problemen komt als hij aan zijn bijstortverplichting wordt gehouden. Een bedrijfsmatig gezond bedrijf kan hierdoor toch omvallen. Het is maar zeer de vraag of (de bestuurders) van X zich dit bij het afsluiten van de regeling hebben gerealiseerd. En als de werkgever omvalt, moet de verzekeraar zelf deze verplichtingen nakomen. En in de huidige tijd is € 10 miljoen extra voor menig verzekeraar ook een majeur probleem.

Het is daarom opvallend dat DNB dergelijke producten heeft toegelaten op de rechtstreeks verzekerde markt. En daarbij de vraag of ze dat “met de kennis van nu” nog zou doen.

 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad 8 september 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 oktober 2017.