Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Verzekeraar mag aanvullende voorwaarden stellen bij opheffing beleggingsdepot

31 augustus 2018

Een werkgever beëindigt de uitvoeringsovereenkomst met de verzekeraar en zet de toekomstige pensioenopbouw voort bij een andere verzekeraar. De werkgever wil afwijken de drie opties die de verzekaar biedt bij beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst. De verzekeraar is niet gehouden daar zonder meer aan mee te werken. Hij mag aanvullende voorwaarden stellen en een substantiële vergoeding vragen.

Werkgever heeft drie opties bij beëindiging uitvoeringsovereenkomst

X BV beëindigt aan het einde van de contractperiode de uitvoeringsovereenkomst met de pensioenverzekeraar. De uitvoeringsovereenkomst bepaalde in artikel 7, lid 2 dat de werkgever na afloop van de contractperiode op de beëindigingsdatum drie mogelijkheden heeft;

  1. een nieuwe overeenkomst sluiten tegen nieuwe voorwaarden; of,
  2. de verzekeringen premievrij bij de verzekeraar achterlaten; of,
  3. collectieve waardeoverdracht.

 

Werkgever wil gesepareerd beleggingsdepot opheffen

De verzekeraar hield een gesepareerd beleggingsdepot aan waaruit de financiering van de beoogde voorwaardelijke toeslagverlening  plaatsvond. De voeding van dit depot bestond uit de eventuele gemaakte overrente. X BV vraagt de verzekeraar het gesepareerde beleggingsdepot op te heffen. Dit vanwege de aan het handhaven van het depot verbonden kosten, het lage rendement op de beleggingen en het feit dat de betrokken werknemers geen pensioen meer opbouwen bij de verzekeraar. X BV stelde voor om de inmiddels ontstane premieachterstand te verrekenen met hetgeen zij bij opheffing van het depot van de verzekeraar verwachtte te krijgen.`

De verzekeraar doet X BV een voorstel. Hij stelt voor het depot te beëindigen waarna zowel de kosten van het depot alsmede de winstdeling erover komen te vervallen. Voorwaarde daarbij is dat X BV het openstaande saldo in rekening courant aan de verzekeraar voldoet. Het op dat moment bestaande tekort in het depot neemt de verzekeraar voor zijn rekening. De verzekeraar geeft daarbij nog aan dat de opgebouwde rechten van de deelnemers uiteraard gegarandeerd blijven. Wel leidt het opheffen van het depot tot een aantasting van hun pensioentoezegging op het gebied van de uit het depot te financieren toeslagen op deze premievrije rechten. De verzekeraar vraagt X BV aan te tonen dat deze deelnemers daarover zijn ingelicht en akkoord zijn. X BV gaat niet op dit voorstel in. Vervolgens doet de verzekeraar ongeveer twee jaar later een nieuw voorstel. Hij is bereid het gesepareerde beleggingsdepot te beëindigen tegen betaling door X BV van een bedrag van bijna €1,4 miljoen. Dit bedrag is de contante waarde  van de door de verzekeraar te derven vergoeding voor administratiekosten, de opslag voor toekomstige renteontwikkeling en de vermogenstoeslag. De verzekeraar neemt in dit voorstel de beheerkosten voor eigen rekening.

Ook dit voorstel wijst X BV af en vordert bij de kantonrechter dat de verzekeraar medewerking moet verlenen aan het opheffen van het gesepareerde beleggingsdepot, zonder dat X BV aan de verzekeraar een beëindigingsvergoeding verschuldigd is, dan wel dat de verzekeraar met X BV een nieuwe uitvoeringsovereenkomst moet afsluiten op grond waarvan hij het gesepareerde beleggingsdepot moet opheffen tegen betaling door X BV van een marktconforme beëindigingsvergoeding. 

Verzekeraar hoeft niet mee te werken en mag aanvullende voorwaarden stellen

De kantonrechter concludeert dat het gaat om de vraag naar de voorwaarden waaronder de verzekeraar zou moeten meewerken aan de opheffing van het gesepareerde beleggingsdepot en over de gevolgen van een dergelijke opheffing. Artikel 25, lid 1, onderdeel h van de Pensioenwet stelt eisen aan de in een uitvoeringsovereenkomst opgenomen regeling over de voorwaarden die gelden bij beëindiging ervan. De belangen van verzekeraar en werkgever moeten daarbij op evenwichtige wijze worden gewaarborgd. Volgens de kantonrechter zijn de wederzijdse belangen in de uitvoeringsovereenkomst tussen X BV en de verzekeraar evenwichtig gewaarborgd. Van een onredelijke exitvergoeding is dan ook geen sprake.

De uitvoeringsovereenkomst geeft een limitatieve opsomming van de mogelijkheden die na het beëindigen van de uitvoeringsovereenkomst bestaan. Anders dan X BV stelt, heeft zij er volgens de kantonrechter niet voor gekozen om met de verzekeraar een nieuwe uitvoeringsovereenkomst te sluiten. Zij heeft er daarentegen voor gekozen om haar pensioenregeling bij een andere pensioenverzekeraar onder te brengen en zal met deze verzekeraar, zoals de wet eist, een uitvoeringsovereenkomst hebben gesloten.  De overeenkomst die X BV met de verzekeraar heeft willen aangaan omtrent de opheffing van het beleggingsdepot, dat na de beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst bleef bestaan, kan volgens de kantonrechter niet worden aangemerkt als een uitvoeringsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7, lid 2, onderdeel a van de uitvoeringsovereenkomst tussen X BV en de verzekeraar. Ook heeft X BV niet gekozen voor collectieve waardeoverdracht. Er is immers geen sprake van overdracht aan een andere pensioenuitvoerder. De kantonrechter concludeert dan ook dat de enige mogelijkheid is dat de verzekeringen bij de beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst per die datum premievrij zijn achtergebleven bij de verzekeraar en dat X BV en de verzekeraar sindsdien ook daarnaar hebben gehandeld. Daarom is naar het oordeel van de kantonrechter de daarvoor in artikel 7, lid 2, onderdeel b van de uitvoeringsovereenkomst opgenomen regeling voor de postcontractuele fase van toepassing. De verzekeraar is in beginsel gerechtigd om X BV daaraan te houden en is vrij om voor medewerking aan een wijziging daarvan voorwaarden te stellen. 

Het argument van X BV dat sprake zou zijn van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de verzekeraar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding niet mag verwachten, gaat volgens de kantonrechter niet op. X BV koos indertijd voor de vorm van een gesepareerd beleggingsdepot en profiteerde in de goede beursjaren van die vorm. De kantonrechter vindt dat zij daarom ook de nadelen van deze vorm moet dragen als het tij keert.

Hieruit volgt dat de verzekeraar van X BV een beëindigingsvergoeding van substantiële omvang mocht vragen voor zijn medewerking aan de opheffing van het beleggingsdepot. Ook mocht zij daaraan volgens de kantonrechter de voorwaarde verbinden dat de X B.V. aantoonde dat de (gewezen) deelnemers instemden met een wijziging van het artikel in hun pensioenreglement, waarin hun aanspraak op voorwaardelijke toeslagverlening is geregeld. Opheffing van het beleggingsdepot betekent immers tevens beëindiging van de winstdelingsregeling. Dit raakt de positie van de (gewezen) deelnemers en vergt daarom wijziging van de onderliggende pensioenovereenkomsten en het pensioenreglement. 

De kantonrechter wijst de vordering van X BV dan ook af. 

Commentaar

De in deze uitspraak aan de orde zijnde problematiek komt in de praktijk vaak voor. Hij bevat een aantal belangrijke conclusies.

  1. Partijen zijn in beginsel gebonden aan hetgeen zij zijn overeengekomen in de uitvoeringsovereenkomst (pacta servanda sunt). Tegenvallende beleggingsresultaten en overeengekomen kostenvergoedingen die ook nadat de verzekeringen premievrij zijn gemaakt verschuldigd zijn, zijn geen onvoorziene omstandigheden waardoor de overeenkomst gewijzigd zou moeten worden.
  2. En verzekeraar mag voor het verlenen van een niet verplichte medewerking aan het wijzigen van een overeenkomst aanvullende voorwaarden stellen en een substantiële beëindigingsvergoeding vragen. Als de vergoeding bestaat uit de contante waarde van de door de verzekeraar te derven toekomstige vergoedingen, is sprake van evenwichtigheid tussen de belangen van de werkgever en de verzekeraar.
  3. Het opheffen van een gesepareerd beleggingsdepot waardoor de voeding voor de financiering van toekomstige toeslagen wegvalt, is een wijziging van de pensioenregeling waarvoor instemming van de deelnemers vereist is. Een verzekeraar mag zijn medewerking aan een dergelijke wijziging van de uitvoeringsovereenkomst afhankelijk maken van het door de werkgever aantonen dat deze instemming op de daarvoor geëigende wijze is verkregen.
  4. Een toeslagfonds in de vorm van een gesepareerd beleggingsdepot heeft een pensioenbestemming. Dat betekent dat het saldo van een dergelijk fonds uitsluitend mag worden aangewend voor de financiering van toeslagen ten behoeve van (gewezen) deelnemers. Dit volgt ook uit de onderbrengingsplicht van artikel 23 Pensioenwet. Uitkeren aan de werkgever in welke vorm dan ook is daarmee in strijd.

 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, 1 augustus 2018. 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 31 augustus  2018.