Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Verzekeraar voldoet niet aan waarschuwingsplicht en mocht verzekering niet premievrij maken

Verzekeraar voldoet niet aan waarschuwingsplicht en mocht verzekering niet premievrij maken

28 juni 2021

Verzekeraar voldoet niet aan waarschuwingsplicht ex artikel 7:980 BW en kan zich daardoor niet beroepen op de gevolgen van het niet betalen van de premie. De verzekering is dan ook onterecht premievrij gemaakt en verzekeraar moet initieel verzekerd kapitaal uitkeren, verminderd met reeds uitgekeerd kapitaal en de verschuldigde, maar nog niet betaalde premies.

Betalingsachterstand leidt tot lager verzekerd kapitaal

X sluit op 1 juni 1993 een lijfrenteverzekering af bij een verzekeraar, die voorziet in uitkering van een lijfrentekapitaal van € 81.661 bij in leven zijn van X op 1 december 2018, dan wel bij eerder overlijden. X betaalt de voor de verzekering verschuldigde premie via zijn tussenpersoon. Vanaf mei 2002 is X wegens zijn arbeidsongeschiktheid voor 50% vrijgesteld van premiebetaling. In 2010 bericht de tussenpersoon de verzekeraar dat er vanaf 1 september 2004 geen premies meer zijn betaald, waardoor een premieachterstand is ontstaan van ruim € 17.000. De tussenpersoon verzoekt de verzekeraar de verzekering met terugwerkende kracht tot 1 september 2004 premievrij te maken. De verzekeraar informeert X per brief op 30 maart 2011 dat hij de verzekering premievrij maakt en zendt hem een nieuw polisblad met daarop een verlaagd verzekerd kapitaal van € 47.787.

Op 1 december 2018 komt de lijfrenteverzekering tot uitkering en keert de verzekeraar het verzekerde kapitaal van € 47.787 uit aan X plus een winstuitkering van € 17.305 .

Ten onrechte premievrij gemaakt?

X betwist de hoogte van de uitkering omdat hij vindt dat de verzekeraar de verzekering in 2011 ten onrechte premievrij heeft gemaakt. De verzekeraar had hem namelijk niet gewezen op de gevolgen van het niet betalen van de premie, waartoe hij op grond van artikel 7:980 BW verplicht was alvorens hij gevolgen mocht verbinden aan de premieachterstand.

De verzekeraar beroept zich op verjaring en vindt daarnaast dat het beroep van X op artikel 7:980 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens de verzekeraar had een laatste aanmaning er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet toe geleid dat X zijn achterstallige premies zou hebben voldaan. X had volgens de verzekeraar niet de intentie om te betalen en gaf zijn adreswijziging pas jaren later door, waardoor hij zich zeer bewust was van het gegeven dat hij hierdoor geen eventuele aanmaningen zou ontvangen. Daarnaast wijst de verzekeraar erop dat X zakelijk failliet was en dus niet in staat om de achterstallige premies te betalen.

Kifid geeft X gelijk

De Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het Kifid verwerpt het beroep van de verzekeraar op verjaring. De verzekeraar baseert zich op artikel 3:310 BW. Dit artikel ziet alleen op de verjaring van een vordering tot schadevergoeding. Van een vordering tot schadevergoeding is hier echter geen sprake. X vordert immers uitkering onder de verzekeringsovereenkomst en dat is een vordering tot nakoming van een verplichting uit de overeenkomst. Artikel 3:310 BW is dan ook niet van toepassing.

De Geschillencommissie oordeelt dat de verzekeraar niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht, zoals bedoeld is in artikel 7:980 BW. In zijn brief van 30 maart 2011 heeft de verzekeraar nagelaten om X op de gevolgen van het niet-betalen van de premie te wijzen. Ook heeft hij nagelaten om X een termijn van een maand te gunnen om alsnog de achterstallige premie te voldoen. De verzekeraar kan zich daarom niet beroepen op de gevolgen van het niet-betalen van de premie. Dit betekent dat hij de verzekering van X niet premievrij had mogen maken en moet er volgens de Geschillencommissie van worden uitgegaan dat de verzekering premiebetalend is blijven doorlopen tot de einddatum van de verzekering.

Het beroep van X op artikel 7:980 BW is volgens de Geschillencommissie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar, zoals de verzekeraar betoogde. Het is vaste rechtspraak dat bij een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de nodige terughoudendheid moet worden betracht, waarbij hoge eisen moeten worden gesteld aan de aangevoerde feiten en omstandigheden en de uiteindelijke motivering. Dit geldt te meer waar het gaat om een dwingende rechtsregel, zoals artikel 7:980 BW. De bewijslast ter zake van deze feiten en omstandigheden rust op de partij die zich op het rechtsgevolg beroept, in dit geval de verzekeraar. Daarin slaagde de verzekeraar niet.

De Geschillencommissie merkt hierover het volgende op. Uit zowel het dossier als de verklaring ter zitting van de tussenpersoon is niet gebleken dat X niet wilde betalen. Uit de enkele omstandigheid dat X zijn adreswijziging pas na enkele jaren aan de verzekeraar heeft doorgegeven, kan naar het oordeel van de commissie niet zonder meer worden afgeleid dat hij zijn achterstallige premies niet wilde voldoen. Daar komt bij dat de verzekeraar bij het versturen van een waarschuwingsbrief mag uitgaan van het laatst bij hem bekende adres. Indien naderhand blijkt dat dit adres niet juist is, kan dit de verzekeraar niet worden tegengeworpen. De verzekeraar koos er echter voor om in het geheel geen aanmaning te versturen en ontnam X daarmee de kans om alsnog de achterstallige premie te betalen.

De verzekeraar is naar het oordeel van de Geschillencommissie dan ook gehouden om het initiële verzekerde kapitaal aan X uit te keren. Hierop dienen het inmiddels al uitgekeerde kapitaal en de verschuldigde maar nog niet betaalde premies in mindering te worden gebracht. De slotsom is dat de vordering van X wordt toegewezen.

Commentaar

Een duur foutje van de verzekeraar. Door helemaal geen aanmaningen te versturen waarin X werd gewezen op de gevolgen van het niet betalen van de premies (premievrijmaking met lager kapitaal) verspeelde de verzekeraar zijn rechten. Een brief naar het laatste bekende adres – ook als dat achteraf blijkt niet meer actueel te zijn – was voldoende geweest. Nu mag de verzekeraar alleen de niet betaalde premies verrekenen met de in eerste instantie overeengekomen uitkering. Een schrale troost!

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Kifid, 19 mei 2021, nr. 2021-0516

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 23 juni 2021.