Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Verzuim uitkering stamrecht is afkoop

6 augustus 2015

Een stamrecht dat is bedongen van een BV mag niet worden prijsgegeven. Als de BV verzuimt om de termijnen van het stamrecht uit te keren is volgens de rechtbank sprake van prijsgeven van de aanspraak. In dat geval wordt de volledige waarde van het stamrecht belast.

De kwestie 

A kreeg in 1991 een ontslagvergoeding in de vorm van een stamrecht. Hij sloot daarvoor in 1991 een stamrechtovereenkomst met zijn BV. In de stamrechtovereenkomst stond dat de BV vanaf 2007 (65-jarige leeftijd A) jaarlijks een uitkering van circa € 75.000 zou betalen tot het overlijden van A. 

Vanaf 1991 keerde de BV jaarlijks bedragen uit aan A. Met ingang van 2007 keerde de BV jaarlijks ongeveer de helft uit van de uitkeringen in de jaren daarvoor. Tot en met 2008 werden deze ten laste van de winst van de BV gebracht. De bedragen werden door A in zijn aangifte inkomstenbelasting aangegeven als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. 

De inspecteur legt over 2007 een navorderingsaanslag op. Volgens de inspecteur heeft A zijn recht op stamrechtuitkeringen (gedeeltelijk) prijsgegeven. De inspecteur belast de hele waarde van het stamrecht als loon uit vroegere dienstbetrekking. A maakt bezwaar tegen de navorderingsaanslag. 

Rechtbank Den Haag 

In geschil is of A met ingang van 2007 zijn  recht op stamrechtuitkeringen (gedeeltelijk) heeft prijsgegeven. De Hoge Raad bepaalde in 2001 dat van prijsgeven sprake is als wordt afgezien van aanspraken uit hoofde van een pensioenregeling of lijfrenteovereenkomst zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat Hiertoe is niet vereist dat de vordering uitdrukkelijk wordt kwijtgescholden.  

A stelde dat de stamrechtuitkering – in afwijking van de stamrechtovereenkomst – al in 1991 is ingegaan. De rechtbank vindt dit niet aannemelijk omdat A  tot  2008 de uitkeringen die hij ontving van de BV in zijn aangiften heeft verantwoord als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Ook in de aangiften vennootschapsbelasting van de BV zijn deze bedragen als zodanig verantwoord en ten laste van de fiscale winst gebracht en niet ten laste van de stamrechtverplichting. Omdat de inspecteur de betalingen tot en met 2006 heeft  geaccepteerd als stamrechtuitkeringen  -  en deze betalingen tussen partijen niet ter discussie staan – gaat de  rechtbank ervan uit dat het stamrecht in 2001 is ingegaan. 

De rechtbank stelt  vast dat de BV na 2006 geen uitkeringen meer heeft gedaan uit hoofde van het stamrecht. A heeft ook geen initiatief  genomen in verband met de slechte vermogenspositie van de BV in overleg te treden met de inspecteur r inzake het vervolg van de stamrechtuitkeringen. Volgens de rechtbank heeft dit tot gevolg dat A in 2007 heeft afgezien van verdere stamrechtuitkeringen. En moet de volledige waarde van het stamrecht in 2007 worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Daarnaast is A revisierente verschuldigd. 

Commentaar 

A en de BV handelden wel heel lichtvaardig met betrekking tot de uitkering van het stamrecht. Enerzijds werd zomaar afgeweken van de stamrechtovereenkomst. Anderzijds  werden  de stamrechtuitkeringen fiscaal niet correct verantwoord. En tenslotte verzuimde A tijdig aan de inspecteur mee te dele dat het stamrecht waarschijnlijk niet voor  verwezenlijking vatbaar was. 
Eens te meer blijkt maar weer dat de uitvoering van een stamrecht of pensioen in eigen beheer nauw luistert. Met begeleiding door een gekwalificeerde adviseur had A waarschijnlijk veel leed kunnen voorkomen. 

Bent u op zoek naar een goede adviseur? Hebt u fiscale of juridische vragen over pensioen en inkomen voor later? Dat is onze specialiteit en uitdaging. Kijk hier wat Aegon Adfis u biedt en wat u van ons mag verwachten.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, Adviseur Aegon Adfis
Bron: Rechtbank Den Haag 24 oktober 2014 

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 augustus 2015