Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Volledige transitievergoeding bij ontslag kort voor de pensioendatum

22 oktober 2018

Na langdurige ziekte wordt de arbeidsovereenkomst van een docent kort voor zijn pensioendatum beëindigd. De kantonrechter vindt dat hij - gezien de korte periode tot zijn pensioneren - recht heeft op een deel van de wettelijke transitievergoeding. De Hoge Raad is het niet eens met de kantonrechter.

Ontslag en transitievergoeding

De heer V is in 1952 geboren. Hij trad op 1 augustus 1978 als docent in dienst van Scholengemeenschap S. Vanaf 2011 ontvangt V een WGA-uitkering die gevolgd wordt door een IVA-uitkering. Per 23 augustus 2016 beëindigt S de arbeidsovereenkomst met V met toestemming van het Uwv. Op 30 april 2018 bereikt V de AOW-gerechtigde leeftijd.

De kantonrechter kent V een transitievergoeding toe van € 25.000 . Volgens de kantonrechter is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wanneer V de volledige transitievergoeding zou krijgen. Maar omdat er wel sprake is van enige inkomensderving, is het redelijk dat V een gedeeltelijke transitievergoeding krijgt. V stelt dat hij op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht heeft op de volledige transitievergoeding van € 73.541.

Geen korting transitievergoeding bij ontslag kort voor pensioendatum

De Hoge Raad stelt vast dat de regeling van de transitievergoeding dwingend recht is (art. 7:673 BW). De rechter moet daarom terughoudend zijn bij de beoordeling of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever voor het recht op een transitievergoeding gekozen voor een abstract en gestandaardiseerd stelsel. In dat stelsel wordt geen rekening gehouden met andere omstandigheden dan die genoemd zijn in de artikelen 7:673 tot en met673d BW. “Het abstracte en gestandaardiseerde karakter van de regeling van de transitievergoeding komt onder meer hierin tot uiting, dat voor de aanspraak niet van belang is of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst werkloos is, dan wel aansluitend een andere baan heeft gevonden”, aldus de Hoge Raad.

Volgens de Hoge Raad blijkt uit de Kamerstukken bij de Wet Werk en Inkomen dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de wettelijke regeling van de transitievergoeding ertoe kan leiden dat een werknemer die kort voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt ontslagen, recht heeft op een transitievergoeding die hoger is dan het loon dat hij zou hebben ontvangen wanneer hij in dienst zou zijn gebleven. Kennelijk heeft de wetgever een afbouwregeling die erin voorzag dat de ontbindingsvergoeding in beginsel niet hoger zou zijn dan de inkomstenderving tot aan de pensioneringsdatum niet gewenst.

De Hoge Raad stelt V in het gelijk.

Commentaar

De transitievergoeding is opgenomen in de Wet Werk en Inkomen. De regeling voorziet in een forfaitaire uitkering aan een werknemer wiens dienstbetrekking wordt beëindigd. Voordat deze regeling in ging, konden werknemers bij einde dienstbetrekking aan de kantonrechter verzoeken om een schadeloosstelling in verband met te derven inkomsten. De Kring van Kantonrechters had voor het vaststellen van deze schadeloosstelling een zogenaamde Kantonrechtersformule vastgesteld. Die formule voorzag erin dat de ontbindingsvergoeding in beginsel niet hoger zou zijn dan de inkomstenderving tot aan de pensioneringsdatum. Volgens de Hoge Raad blijkt noch uit de wettekst, noch uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever een dergelijke afbouw voor de transitievergoeding heeft gewenst.

Met andere woorden een werknemer die kort voor de ontslagdatum wordt ontslagen, is beter af dan een werknemer die tot aan de pensioendatum blijft werken. Om de kosten te beperken kan de werkgever deze werknemer beter in dienst houden. Als de werkgever de werknemer wel kort voor zijn pensioendatum ontslaat moet hij de volledige transitievergoeding betalen. Dat lijkt onredelijk. Maar volgens de Hoge Raad is het aan de wetgever om deze vermeende onredelijkheid te repareren.

Overigens moet een werkgever die een werknemer kort voor zijn pensioendatum ontslaat wel rekeninghouden met de regelgeving inzake de RVU. Zie hiervoor onder meer ons bericht van 29 juni 2018.  

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 5 oktober 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 18 oktober 2018.