Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Voor rechtsverwerking is meer nodig dan stilzitten

Voor rechtsverwerking is meer nodig dan stilzitten

8 februari 2021

X en Y scheidden in 1980. Pas zes jaar na pensionering maakt Y aanspraak op haar deel van het ouderdomspensioen van X. Voor rechtsverwerking is meer nodig dan stilzitten.

Verdeling van pensioenrechten bij scheiding

De heer X werkte van 8 mei 1968 tot 1 september 1980 bij de Belastingdienst en bouwde gedurende die tijd pensioen op bij het ABP. Van 1 september 1980 tot 4 december 2003 werkte hij elders en bouwde hij bij pensioen op bij Zwitserleven.

Tot 1 oktober 2003 was X getrouwd met Y in  algehele (wettelijke) gemeenschap van goederen. De beschikking van de scheiding is op 4 december 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In maart 2006 ging X een geregistreerd partnerschap aan met Z.

X werd In 2012 65 jaar en pensioengerechtigd. In maart 2019 overlijdt hij.

Y wordt het met X niet eens over de verdeling van het door hem opgebouwde pensioen tijdens zijn huwelijk. En ook na zijn overlijden Over die verdeling vonden diverse gesprekken plaats. In januari 2018 tussen Y enerzijds en X, Z en hun financieel adviseur. Dit leidde niet tot een minnelijke regeling. Na het overlijden van X kwamen Y en Z evenmin tot een regeling, waarna Y de rechter vraagt om een oordeel.

Y  vraagt de rechtbank

  • Z te veroordelen om de nodige informatie aan haar te verstrekken waaruit het (bruto)aandeel van Y in de pensioenaanspraak van X blijkt;
  • Z te veroordelen om vanaf datum vonnis 50% van de aanspraak op het pensioen te betalen dat X heeft ontvangen, althans een door Z te specificeren (bruto equivalent van dit) bedrag zoals dit uit de specificatie van het pensioenfonds blijkt, te vermeerderen of te verminderen met de wettelijke verhoging wegens indexering of inflatiecorrectie.

 

Geen sprake van rechtsverwerking

Z beroept zich op rechtsverwerking. Dit beroep slaagt niet. De rechter zegt hierover dat Z terecht heeft opgemerkt dat naast stilzitten ook iets “extra’s” nodig is voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. De rechter merkt op dat van stilzitten door Y overigens niet is gebleken. “De enkele (blote) stellingen van [gedaagde] dat (i) zij niet op de hoogte was van de financiële positie van [ex-echtgenoot] , (ii) zij ervan is uitgegaan dat het pensioen dat [ex-echtgenoot] ontving, hem volledig toekwam, (iii) zij er terecht van mocht uitgaan dat het pensioen door hen beiden kon worden verteerd en (iv) als [eiseres] eerder aan de bel had getrokken, [gedaagde] nu niet met deze relatief hoge vordering van [eiseres] was geconfronteerd, zijn hiertoe onvoldoende, alleen al omdat zij te algemeen van aard zijn.” aldus de rechter.

Dat deze gelden gedurende het geregistreerd partnerschap van [ex-echtgenoot] en [gedaagde] zijn “verleefd” (zoals [gedaagde] het noemt) en dat [gedaagde] niet beter wist dan dat zij daarop volledig aanspraak maakten, rechtvaardigt niet dat om die redenen het beroep op verjaring en/of rechtsverwerking slaagt.”

Volgens de rechter eist Y terecht aanspraak op betaling van de helft van het gedurende het huwelijk door [ex-echtgenoot] bij Zwitserleven en ABP opgebouwde pensioen, zoals aan hem uitgekeerd van 1 januari 2013 tot de dag dat X is overleden. Volgens de rechter geldt dit temeer omdat X financieel onderlegd was, zodat er van mag en kan worden uitgegaan dat hij wist althans behoorde te weten dat hij de helft van het gedurende het huwelijk door hem opgebouwde pensioen aan Y moest betalen en X en Z zich (volgens haar eigen zeggen) sinds 2015 bovendien lieten bijstaan door een financieel adviseur.

Helft van netto pensioen uitbetalen is redelijk en billijk

Aangezien de pensioenbedragen al aan X zijn uitgekeerd moet Z aan Y haar deel over de jaren 2013, 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 en drie maanden van 2019 betalen. Dit komt in totaal neer op € 36.538,25 bruto pensioenaanspraak over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2019, de maand waarin X is overleden. Omdat Y pas in 2018 aanspraak maakte op het pensioen, is het volgens de rechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Z de brutobedragen zou moeten uitbetalen en vervolgens zelf bij de belastingdienst daarover betaalde belasting zou moeten terug zien te krijgen. De rechtbank veroordeelt Z om die reden de helft van het netto pensioen (pensioen minus belasting) aan Y uit te betalen.  

De rechter veroordeelt Z om binnen zes weken na betekening van het vonnis de nodige informatie met betrekking tot pensioenuitvoerder ABP aan Z te verstrekken waaruit het (bruto) aandeel van Y in de pensioenaanspraak van X over de periode van [huwelijksdatum] tot 1 september 1980 blijkt.

Commentaar

Deze uitspraak is niet verrassend. Het enige verrassende is dat de rechter op basis van redelijkheid en billijkheid uitgaat van de (helft van de) netto uitkering die Z aan X moet betalen.

Regelmatig doen ex-partners een beroep op rechtsverwerking, wanneer de ex-partner langere tijd geen aanspraak heeft gedaan op het aan hem toekomende deel van het ouderdomspensioen bij scheiding. Zie bijvoorbeeld onze nieuwsberichten van 3 oktober 2019, 24 april 2018 en 13 februari 2018. En elke keer oordeelt de rechter dat er meer nodig is dan uitsluitend stilzitten om een beroep op rechtsverwerking te laten slagen. Hetzelfde gebeurt ook in de zaak tussen X, Y en Z. En net als in voorgaande uitspraken wordt voor de vergoeding uitgegaan van de redelijkheid en billijkheid waardoor de last voor de gedaagde niet onevenredig is, wanneer de verdelingsgerechtigde pas na vele jaren een beroep doet op zijn aanspraak op het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Rechtbank Limburg, 13 januari 2021, publicatiedatum 26 januari 2021 ECLI:NL:RBLIM:2021:376

Dit bericht is aangepast naar de stand van zaken op 8 februari 2021