Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Voorkom eindheffing door inhaal pensioen

10 september 2014

Ontslagvergoedingen voor oudere werknemers kunnen worden aangemerkt als regeling voor vervroegd uittreden (RVU). De werkgever is over de RVU 52% eindheffing verschuldigd die hij niet kan verhalen op de werknemer. Deze eindheffing kan de werkgever voorkomen door de ontslagvergoeding te gebruiken voor inhaal- of inkoop van pensioen. Het Centraal Aanspreekpunt Pensioen (CAP) publiceerde hierover een aantal vragen en antwoorden.

Inhaal van pensioen

Bij inhaal van pensioen vergelijkt u het pensioen dat in een regeling daadwerkelijk is opgebouwd met het pensioen dat volgens het maximale fiscale kader had kunnen worden opgebouwd. Daarbij bent u gehouden aan het  fiscale kader dat geldt op het moment van inhaal. Als de inhaal plaatsvindt binnen een eindloonregeling is deze vergelijking eenvoudig. Maar als de inhaal plaatsvindt binnen een middelloon- of een beschikbare premieregeling of een combinatie hiervan is de berekening veel lastiger. Het CAP heeft voor deze complexe berekeningen een handreiking op haar site gezet.

Inkoop diensttijd

Het is ook mogelijk om pensioen aan te vullen dat bij vorige werkgevers is opgebouwd. Dit kan alleen als:

  • in de vorige dienstbetrekking(en) pensioen werd opgebouwd;
  • waardeoverdracht heeft plaatsgevonden; en
  • er sprake is van een pensioentekort.

Er is alleen sprake van een pensioentekort als de pensioenregeling van de huidige werkgever beter is dan de regeling bij de vorige werkgever(s). Ook bij inkoop moet worden uitgegaan van mogelijke opbouw binnen het maximale fiscale kader op het moment van inkoop.

Bij de berekening van de inhaal mag je volgens het CAP ook rekening houden met de diensttijd bij vorige werkgevers binnen het concern (interne waardeoverdracht). Het zelfde geldt voor zover een werknemer die verschillende dienstverbanden had maar tijdens deze periode onafgebroken verplicht deelnam in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.

Speciale aandacht verdient de inkoop van diensttijd over de periode dat pensioen werd opgebouwd binnen een beroepspensioenregeling. Een beroepsbeoefenaar bouwt in een beroepspensioenregeling pensioen op als hij in loondienst is maar ook als hij zelfstandig zijn beroep uitoefent. In het laatste geval kan geen inkoop diensttijd plaatsvinden als de beroepsbeoefenaar toetreedt tot een nieuwe regeling bij een nieuwe werkgever. Er kan ook geen sprake zijn van interne waardeoverdracht. Voor eventuele inkoop van diensttijd mag alleen rekening worden gehouden met de diensttijd dat de beroepsbeoefenaar in loondienst was.

Inkoop diensttijd voor de DGA  

Een directeur-grootaandeelhouder ( DGA) valt niet onder de Pensioenwet. Hij kan alleen maar waardeoverdracht doen als hij DGA wordt van een nieuwe BV. Dus in de situatie dat hij zowel aandeelhouder was van de vorige en de nieuwe werkgever. In andere gevallen - werknemer wordt DGA of DGA wordt werknemer -is wettelijke waardeoverdracht niet mogelijk. Daarom is in het Uitvoeringsbesluit Loonbelasting een regeling opgenomen dat in die gevallen toch inkoop van diensttijd kan plaatsvinden. Uitsluitend voor die gevallen gaat u bij de berekening van de inhaal- en/of inkoopruimte uit van een fictieve waardeoverdracht.  
De DGA moet wel aan de andere voorwaarden voor inkoop diensttijd voldoen. Dezelfde bepalingen gelden ook ten aanzien van interne waardeoverdracht en opbouw van pensioen binnen een beroepspensioenregeling.

Aanvulling tegenvallende rendementen

Het is niet toegestaan om tegenvallende rendementen van een beschikbare premieregeling op enig moment in te halen door extra pensioenbetalingen door de werkgever of de werknemer. Ook bij inhaal of inkoop van pensioen moeten tegenvallende rendementen buiten beschouwing blijven. Dit doet u door vast te stellen of er een onderrendement aanwezig is in de opgebouwde pensioenkapitalen. In de Handreiking inhaal en inkoop van pensioen staat hoe u dat moet doen.

Commentaar

Het is fijn dat het CAP de praktijk (nog eens) attendeert op de wettelijk mogelijkheid van aanvulling pensioen waardoor de belaste ontslagvergoeding kleiner wordt en eindheffing wordt voorkomen.

Het CAP stelt dat de extra RVU-eindheffing van 52% wordt voorkomen voor zover de pensioenverbetering binnen de wettelijke fiscale grenzen blijft. Het CAP lijkt hiermee de ruimte die de Wet LB geeft te beperken. In de Wet LB (artikel 32ba, lid zes) staat dat geen sprake is van een RVU als de vergoeding gebruikt wordt voor een pensioenregeling binnen de fiscale grenzen of een pensioenregeling die onder de Pensioenwet valt. Dit betekent dat ook met een fiscaal bovenmatig pensioen dat wel valt onder de Pensioenwet de RVU-heffing kan worden voorkomen. Ook een fiscaal bovenmatig pensioen is immers een pensioen in de zin van de Pensioenwet. Om nadelige fiscale consequenties te voorkomen is het wel aan te raden vooraf een splitsing aan te brengen tussen het zuivere - en onzuiver deel van de pensioenregeling en dit te melden aan de belastingdienst. Tenslotte moet u wel een pensioenuitvoerder vinden die een dergelijk netto pensioen wil uitvoeren.

Het CAP stelt als voorwaarde voor inkoop diensttijd dat waardeoverdracht moet hebben plaatsgevonden. Volgens het Uitvoeringsbesluit Wet LB mogen ook jaren worden ingekocht zonder dat waardeoverdracht heeft plaatsgevonden voor zover de periode bij vorige werkgevers ligt vóór 8 juli 1994. Voor die tijd bestond het recht op wettelijke waardeoverdracht nog niet.

De inhaal- en inkoopberekening bij een middelloon - en/of beschikbare premieregeling zijn complex. Wij helpen u hier graag bij. Tegen een vast tarief analyseren wij de pensioenregeling, berekenen de inhaalruimte en leggen de berekening ter goedkeuring voor aan de belastingdienst. Lees hier meer over deze dienst of bel met onze inhaal- en inkoopspecialist, Paul Lavrijssen ( 06 11 33 20 51).

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis
Bronnen: Vragen en Antwoorden Centraal Aanspreekpunt Pensioen, van 2 september 2014, nrs. 12-002; 08-011 en 09-005; 3 september 2014, nr. 06-002 en 4 september 2014, nr. 08-012.