Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Voortgezette Belgische pensioenregeling belaste aanspraak in Nederland

18 september 2017

Een in België woonachtige werknemer zet zijn Belgische pensioenregeling voort terwijl hij in Nederland werkt voor een Nederlandse onderneming. De regeling voldoet niet aan de voorwaarden voor toepassing van de omkeerregel. De rechtbank Zeeland-West-Brabant rekent de premie dus tot het belastbare loon van deze werknemer.

De casus

X woont in België en werkt sinds 1978 voor het Y-concern. Vanaf 1 juli 2007 werkt X binnen het Y-concern voor een in Nederland gevestigde BV. X zette na de overgang naar de Nederlandse BV zijn Belgische pensioenregeling voort bij het Y-concern. In 2013 rekent de belastinginspecteur de voor de Belgische pensioenregeling betaalde premie, zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel tot het belastbare loon van X. X is het daar niet mee eens en gaat in beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank buigt zich over de vraag of de inspecteur deze premie terecht heeft aangemerkt als belastbaar loon en zo ja, of deze pensioenpremie als lijfrentepremie aftrekbaar is.

Waarom pas Nederlandseheffing in 2013?

X werkte al vanaf 1 juli 2007 voor de Nederlandse BV. Waarom krijgt hij pas in 2013 te maken met Nederlandse loonheffing over de pensioenpremie? Voor werknemers die hun buitenlandse pensioenregeling willen voortzetten nadat zij in Nederland zijn gaan werken, geldt een tijdelijke tegemoetkoming. In het besluit van 31 januari 2008 (inmiddels vervangen door het besluit van 9 oktober 2015) wijst de staatssecretaris een buitenlandse pensioenregeling onder voorwaarden aan als pensioenregeling die onder de omkeerregel valt. Deze aanwijzing voor werknemers uit een andere EU-staat sluit aan bij de Europese richtlijn betreffende de bescherming van rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (richtlijn 98/49/EG). De aanwijzing komt neer op een fiscale erkenning  door Nederland van alle regelingen voor aanvullend pensioen in de EU in geval van tewerkstelling in Nederland.

Deze fiscale erkenning houdt in dat Nederland vrijstelling van de pensioenaanspraken en aftrek van de pensioenpremie verleent in dezelfde mate en tot hetzelfde bedrag als de fiscale wetgeving in het land van uitzending voorschrijft. De aanwijzing sluit aan bij de zogenoemde detacheringsverordening (verordening 1408/71). Daaruit vloeit voort dat de aanwijzing geldt voor maximaal vijf jaar. Ook het Verdrag tot het vermijden van dubbele belastingheffing tussen Nederland en België voorziet in een periode van vijf jaar waarin een pensioenregeling door – in dit geval – Nederland op dezelfde wijze wordt behandeld als in België. X viel dus in de periode 2007-2012 onder de aanwijzing, maar daarna niet meer. Vanaf 2013 viel hij volledig onder de Nederlandse fiscale wetgeving.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt dat de Belgische pensioenregeling voor de Nederlandse wetgeving niet kan worden aangemerkt als een zuivere pensioenregeling, zoals X betoogde. De pensioenregeling kent namelijk de mogelijkheid om op of na de pensioendatum te kiezen voor uitbetaling van een bedrag in eens. Hierdoor voldoet de regeling niet aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964 en is uit dien hoofde onzuiver. Omdat sprake is van een onzuivere regeling en de periode van vijf jaar is verstreken, heeft de inspecteur terecht de pensioenpremie tot het belastbare loon gerekend. Dat de pensioenuitkering te zijner tijd door België met inkomstenbelasting zal worden belast, doet aan dit oordeel niet af.

X stelde dat de pensioenpremies als lijfrentepremies in aftrek gebracht konden worden. En wie stelt, moet bewijzen. Hij maakte dit echter niet aannemelijk, een enkele stelling is daarvoor niet voldoende. Ook dit beroep wees de rechtbank dus af.

Commentaar

Een logische uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De pensioenregeling van X kende een afkoopmogelijkheid. In artikel 18, eerste lid, onderdeel b Wet LB 1964 is met zoveel woorden bepaald dat in een pensioenregeling moet zijn bepaald dat de aanspraken ingevolgde de regeling niet kunnen worden afgekocht, vervreemd of prijsgegeven, dan wel voorwerp van zekerheid kunnen  worden, anders dan in de gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioenwet. Daarbij is het niet relevant of de aanspraken daadwerkelijk worden afgekocht. Alleen het ontbreken van de bepaling in de regeling dat de aanspraken niet kunnen worden afgekocht, maakt de regeling onzuiver.

Op basis van het besluit van 31 januari 2008 en het Verdrag paste Nederland gedurende een periode van vijf jaar de Belgische regels toe en rekende de pensioenpremie uit dien hoofde niet tot het belastbare loon van X. Na vijf jaar verviel de uitzonderingspositie van X en viel hij volledig onder de bepalingen van de Wet LB 1964. En die bepalen dat de premie voor een onzuivere pensioenregeling tot het loon behoort. Het is dus zaak voor werknemers die hun buitenlandse pensioenregeling voortzetten om voordat de periode van vijf jaar afloopt er voor te zorgen dat de regeling volledig voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964. Zie voor een vergelijkbaar geval, rechtbank Breda, 6 februari 2009. Een goede adviseur betaalt zich ook hier uit!

Het beroep van X op de aftrek als lijfrente premie strandde al op het feit dat hij dit niet onderbouwde en aannemelijk maakt. De rechtbank ging er dan ook niet inhoudelijk op in. Maar ook als dat wel was gebeurd, had X waarschijnlijk nul op het rekest gekregen. Hof Den Bosch bepaalde op 14 juli 2011 dat betalingen in verband met de vrijwillige voortzetting van een pensioenregeling niet als lijfrentepremie aftrekbaar zijn omdat de eisen met betrekking tot afkoop in artikel 1.7 van de Wet IB 2001 strenger zijn dan het afkoopverbod in de pensioenwetgeving. De Belgische regeling van X kende in het geheel geen afkoopverbod en voldeed als zodanig dus al helemaal niet aan de eisen van artikel 1.7 Wet IB 2001.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 juli 2017.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 18 september  2017.