Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Vragen en antwoorden lijfrenten vernieuwd

Vragen en antwoorden lijfrenten vernieuwd

24 juni 2021

De Belastingdienst actualiseerde het document vragen en antwoorden over overbruggingslijfrenten, tijdelijke oudedagslijfrenten, de afkoopregeling voor kleine lijfrenten, lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten. Wij lichten er een aantal antwoorden voor u uit.

Beëindigingsmoment overbruggingslijfrente

Een overbruggingslijfrente kan alleen worden bedongen voor aanspraken die vóór 1 januari 2006 in aftrek zijn gekomen. Uitkeringen uit een overbruggingslijfrente mogen – ter keuze van de gerechtigde tot die uitkeringen –eindigen in het jaar waarin hij:

– de 65-jarige leeftijd bereikt, of;

– de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, of;

– een uitkering op grond van een pensioenregeling gaat genieten.

In de jaren 2020 en verder stijgt de AOW-leeftijd minder snel dan aanvankelijk de bedoeling was. Als gevolg van deze getemporiseerde verhoging van de AOW-leeftijd mag een eerder overeengekomen verlenging van de uitkeringsperiode van een overbruggingslijfrente worden verkort. Op het moment van aanpassing van de uitkeringsperiode moet opnieuw worden beoordeeld of de uitkeringen het maximale bedrag per jaar niet overschrijden.

In de situatie waarin de AOW-leeftijd na de ingangsdatum van de overbruggingslijfrente wordt verlaagd mag ook worden uitgegaan van het jaar waarin de AOW-leeftijd die van toepassing was vóór deze verlaging wordt bereikt.

Maximaal bedrag tijdelijke oudedagslijfrente bij samenloop met LR en LBR

Het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar van een tijdelijke oudedagslijfrente, mag niet meer bedragen dan , voor 2021, € 22.443 per jaar.

Als sprake is van een of meerdere tijdelijke oudedagslijfrenterekeningen (LR) en/of -beleggingsrechten (LBR) naast een of meer tijdelijke oudedagslijfrenteverzekeringen, mag het totale bedrag van de termijnen uit die lijfrenten gezamenlijk niet meer dan € 22.443 per jaar belopen. Uitgangspunt van de wetgever bij de invoering van de Wet Banksparen in 2008 was een zoveel mogelijk gelijke behandeling in de bancaire en verzekeringssfeer, rekening houdend met het verschil in karakter tussen sparen en verzekeren. Een tijdelijke oudedagslijfrente staat om deze reden ook open voor een LR en een LBR, maar zorgt niet voor een verruiming van het maximale bedrag van de termijnen per jaar voor tijdelijke oudedagslijfrenten.

Het maximale bedrag geldt niet voor tijdelijke oudedagslijfrenteverzekeringen waarop het regime van de pre Brede Herwaardering van toepassing is.

Begrip ‘jaren’ bij minimale looptijd levenslange LR en LBR ingaand voor de AOW-leeftijd

Als de levenslange LR of LBR wordt uitgekeerd vóór het kalenderjaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt, moet de periode tussen de eerste en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedragen, vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de AOW-leeftijd. Dit volgt uit artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 2, Wet IB 2001.

Het begrip ‘jaren’ moet in dit verband worden opgevat als aaneengesloten perioden van 12 maanden. Wanneer de eerste termijn bijvoorbeeld op 1 mei 2020 wordt uitgekeerd en op 15 april 2021 de AOW-leeftijd wordt bereikt, eindigt de 20-jaarsperiode in dit voorbeeld op 1 mei 2040. De periode tussen 1 mei 2020 en 15 april 2021 is immers geen aaneengesloten periode van 12 maanden en deze verlengt daarom de 20-jaarsperiode niet.

Niet natuurlijk persoon als erfgenaam lijfrentenrekening

Een lijfrenterekening valt bij overlijden in de nalatenschap van de overleden rekeninghouder.

Als de lijfrentetermijnen zijn ingegaan vóór het overlijden van de rekeninghouder, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op de erfgenamen (artikel 3.126a, zesde lid, Wet IB 2001). Omdat in de Wet IB 2001 voor de lijfrentenrekening geen nadere vereisten zijn opgenomen over de erfgenaam, kunnen de nog niet uitgekeerde lijfrentetermijnen overgaan op een erfgenaam die een niet-natuurlijk persoon is, zoals een ANBI. De niet-natuurlijk persoon moet dan wel als zodanig zijn benoemd.

Wanneer bij het overlijden van de rekeninghouder de lijfrentetermijnen nog niet zijn ingegaan, moeten de termijnen direct ingaan en worden uitgekeerd aan een natuurlijk persoon (artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001). In dat geval is het dus niet mogelijk om de lijfrentetermijnen te doen toekomen aan een niet natuurlijk persoon.

Commentaar

De temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd had ook gevolgen voor bijvoorbeeld overbruggings- en nabestaandenpensioen. Ook voor deze pensioenen kwam de staatssecretaris van Financiën met een goedkeuring om te voorkomen dat deze pensioenen niet langer voldoen aan de fiscale eisen. In ons nieuwsbericht van 8 januari 2020 leest u meer over deze goedkeuring.

De vraag wat er precies meetelt voor het maximale jaarlijkse bedrag van een tijdelijke oudedagslijfrente bij samenloop met een oudedagslijfrenterekening wordt regelmatig gevraagd. Een goede zaak dat de belastingdienst met deze vragen en antwoorden deze vraag helder beantwoordt. Datzelfde geldt voor de andere vragen die de belastingdienst beantwoordt in haar document.

Dit bericht is geschreven naar de stand van zaken op 23 juni 2021

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Belastingdienst, Vragen en antwoorden over lijfrenten, 6 mei 2021