Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Vragen netto-lijfrente van Eerste Kamer beantwoord

13 mei 2014

Een week voor de stemming in de Eerste Kamer over het wetsvoorstel Witteveen-2015 beantwoordde het kabinet veel vragen van senatoren over de netto-lijfrente. Een selectie treft u hieronder aan.

Netto-lijfrente aangeboden door pensioenfonds

Pensioenfondsen mogen netto-lijfrente in de tweede pijler gaan uitvoeren. Het kabinet vreest echter 'kruissubsidiëring' tussen de brutoregelingen (waarvoor de premies aftrekbaar zijn) en de nettolijfrente (van waaruit onbelaste uitkeringen worden gedaan). Het kabinet wil de uitvoering van de netto-lijfrente door pensioenfondsen beperken tot zuivere DC-regelingen zonder rendementsgarantie.
Voor het overlijdensrisico bij partnerpensioen en de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid blijft in de opbouwfase de verplichting op het pensioenfonds rusten en daarmee het risico op kruissubsidiëring. Als deze vormen van risicodekking worden aangeboden door pensioenfondsen is het kabinet voornemens om een herverzekering verplicht te stellen. Het kabinet is overigens nog in overleg met de pensioensector over deze te stellen eisen en of er nog alternatieven zijn. De verdere uitwerking vindt plaats in een algemene maatregel van bestuur.

Werkgeversbijdrage voor netto-lijfrente

Wanneer een pensioenfonds een netto-lijfrente uitvoert, is de werkgever verplicht tot een werkgeversbijdrage van minimaal 10% van de premie. Bij een zuivere DC-regeling is de werkgever op grond van de Regeling taakafbakening verplicht tot deze bijdrage. Deze verplichting geldt niet voor een verzekeraar of PPI als pensioenuitvoerder.
Het kabinet bevestigt dat vergelijkbare werknemers die niet deelnemen aan de netto-lijfrente de werkgeversbijdrage eveneens als loon moeten ontvangen. De werkgeversbijdrage voor zowel niet-deelnemers als deelnemers behoort tot het loon. Omdat de netto-lijfrente een vrijwillige regeling is voor werknemers met een inkomen boven € 100.000, moet een werkgever die een bijdrage verstrekt aan deelnemers van de nettolijfrente, dit ook in dezelfde mate doen aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren.

Waarom netto-lijfrente in de tweede pijler en geen netto-pensioen?

Het ligt voor de hand om in de tweede pijler niet te spreken van een netto-lijfrente maar van een netto-pensioen. Waarom gebeurt dat dan niet? Het kabinet geeft aan het juist is dat het bij een netto-lijfrente in de tweede pijler het gaat om pensioen in de zin van de Pensioenwet. In dat geval gaat om een netto-lijfrente die arbeidsvoorwaardelijk wordt overeengekomen tussen werkgever en werknemer. De (fiscale) voorwaarden die gesteld worden aan de netto-lijfrente in de tweede en de derde pijler zijn gelijk. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om geen aparte terminologie voor de netto-lijfrente in de tweede pijler te hanteren. Een andere keuze was ook mogelijk geweest. Overigens staat het pensioenfondsen vrij in de communicatie richting hun deelnemers het product van de netto-lijfrente een andere naam te geven.

Dat het bij de netto-lijfrente in de tweede pijler gaat om pensioen in de zin van de Pensioenwet, staat er volgens het kabinet ook niet aan in de weg om de term 'netto-lijfrente' te blijven gebruiken. De termen lijfrente en pensioen hoeven namelijk niet met elkaar strijdig te zijn. Pensioen in de zin van de Pensioenwet is namelijk een vorm van een lijfrente in de zin van het Burgerlijk Wetboek.

Afkoop bovenmatig pensioen nog steeds mogelijk?

Verschillende senatoren vragen of het klopt dat de afkoopmogelijkheid voor fiscaal bovenmatig pensioen overbodig is geworden, nu het netto-pensioen een vrijwillige regeling is. Zij zijn van mening dat niemand er vrijwillig voor zou kiezen om een fiscaal bovenmatig pensioen op te bouwen als de belastingheffing alleen kan worden voldaan door het pensioen af te kopen. De reactie van het kabinet is de volgende. De afkoopmogelijkheid voor fiscaal bovenmatig pensioen is bedoeld voor pensioenopbouw die niet fiscaal wordt gefaciliteerd. Het kabinet vindt het onwenselijk dat pensioen wordt opgebouwd buiten de fiscale kaders waarbij er niet over dat pensioen kan worden beschikt en wel box 3-heffing verschuldigd is. Het kabinet erkent dat het fiscaal niet aantrekkelijk is om deel te nemen aan een niet fiscaal gefaciliteerde pensioenregeling, maar voor de enkele gevallen waarin dit voorkomt wil het kabinet afkoop van een dergelijke regeling mogelijk maken. Bij de netto-lijfrente gaat het echter om een andere situatie: de netto-lijfrente is vrijgesteld in box 3. Vanwege dit verschil is een bepaling opgenomen in de nota van wijziging bij de Verzamelwet pensioenen 2014 waarmee wordt geregeld dat de netto-lijfrente in de tweede pijler niet afkoopbaar is.

Staffel voor netto-lijfrente

Het kabinet wil voor de fiscale ruimte voor de netto-lijfrente zowel in de tweede als derde pijler dezelfde premiestaffel laten gelden. Waarbij natuurlijk rekening wordt gehouden met het netto karakter van de faciliteit. Deze staffel wordt gebaseerd op de meest ruime staffel uit bijlage 1 van het staffelbesluit (staffel 4).

Reactie op onderzoek Expertisecentrum Pensioenrecht van de Vrije Universiteit (voetnoot 1)

In het onderzoek bespreken de auteurs de huidige wetgeving en doen zij (tekst)suggesties voor wetgeving. In de kern komt het stuk erop neer dat het onder de huidige wetgeving al mogelijk is om een netto-pensioen uit te voeren dat niet onder de omkeerregel valt. Om het netto-pensioen vrij te stellen van box 3, is volgens de auteurs alleen een wijziging van de Wet IB 2001 nodig. Tevens stellen de auteurs voor om te voorkomen dat het netto-pensioen afkoopbaar is.

In reactie op het stuk merkt het kabinet het volgende op. Het kabinet onderschrijft dat het bij de netto-lijfrente in de tweede pijler per definitie gaat om pensioen in de zin van de Pensioenwet. Ook onderschrijft het kabinet dat de kwalificatie van pensioen in de zin van de Pensioenwet in principe losstaat van de wijze waarop een regeling in de fiscale wetgeving wordt gekwalificeerd. Mede daarom meent het kabinet - in tegenstelling tot de auteurs - dat het geen bezwaar ontmoet om ook in de tweede pijler de term netto-lijfrente te hanteren. Pensioen in de zin van de Pensioenwet is namelijk een vorm van een lijfrente in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Omdat het kabinet meent dat het voor de fiscale ruimte van de netto-lijfrente niet uit zou moeten maken dat deze ook in de tweede pijler kan worden uitgevoerd, wordt niet voorzien in een afwijking van de fiscale voorwaarden die zijn gesteld aan de netto-lijfrente in de derde pijler. Daarbij acht het kabinet het tevens relevant dat het gaat om een regeling waarbij de premieinleg is begrensd. De auteurs houden in het voorstel voor een mogelijke wettekst geen rekening met het netto karakter van de regeling. Ook lijken zij er ten onrechte van uit te gaan dat het met toepassing van de omkeerregel gefaciliteerde pensioen alsnog in box 3 moet worden vrijgesteld. De auteurs gaan voorts voorbij aan de voorwaarden die worden gesteld aan de netto-lijfrente, onder meer om het vrijwillige karakter en de fiscale hygiëne te waarborgen. Het stuk besteedt geen aandacht aan de eis van één financieel geheel wat voor pensioenfondsen betekent dat tekorten bij de netto regeling worden aangevuld vanuit de bruto regeling. Tot slot gaan de auteurs in op de afkoopmogelijkheid die voor de enkele fiscaal niet gefaciliteerde pensioenregelingen geldt. Deze bepaling zou volgens de auteurs kunnen vervallen. Het kabinet onderschrijft de wens om de nettolijfrente in de tweede pijler niet afkoopbaar te laten zijn. Hiertoe strekt ook de nota van wijziging bij de Verzamelwet pensioenen 2014. Tegelijkertijd merkt het kabinet op dat dit los staat van de afkoopmogelijkheid voor pensioen dat in het geheel niet fiscaal wordt gefaciliteerd.

Rekenvoorbeeld sanctie afkoop netto lijfrente

Om de werking van de sanctie bij afkoop van een netto lijfrente voor een aantal voorbeelden toe te lichten, is gekozen voor een 40-jarige belastingplichtige met een inkomen dat ieder jaar € 100.000 boven de aftoppingsgrens ligt. Deze belastingplichtige doet vanaf het begin met de voor hem geldende maximumbedragen mee aan de netto-lijfrenteregeling voor het deel van het inkomen boven de aftoppingsgrens. Verondersteld is dat het vermogen dat via de netto-lijfrenteregeling wordt gevormd een rendement heeft van 4%. Als deze belastingplichtige na 5 jaar afkoopt, bedraagt het vermogen in de netto-lijfrenteregeling € 30.678. De belastingplichtige betaalt op dat moment 5 * 1,2% * € 30.678 / 2 = € 920 heffing. Koopt de belastingplichtige na 10 jaar af, dan bedraagt het vermogen in de netto-lijfrenteregeling € 74.242. De belastingplichtige betaalt op dat moment 10 * 1,2% * € 74.242 / 2 = € 4.455 heffing. Koopt de belastingplichtige na 15 jaar af, dan bedraagt het vermogen in de netto-lijfrenteregeling € 135.044. De belastingplichtige betaalt op dat moment 10 * 1,2% * € 135.044 / 2 = € 8.103 heffing.

Wetgevingstraject

Er komt geen apart wetsvoorstel over het onderbrengen van de netto-lijfrente in de tweede pijler. De benodigde wettelijke bepalingen worden opgenomen in een nota van wijzing bij een reeds lopend wetgevingstraject (zoals de Fiscale verzamelwet). Dit is ondertussen gebeurd door een nota van wijziging bij de Verzamelwet pensioen 2014. Hierin zijn delegatiebepalingen opgenomen zodat bij algemene maatregel van bestuur (amvb) regels kunnen worden gesteld. Op dit moment vindt nog overleg met het pensioenveld plaats over de nadere uitwerking in de amvb. Het voornemen is om deze algemene maatregel van bestuur voor de zomer in de Tweede en in de Eerste Kamer voor te hangen en waarbij de inwerkingtreding is voorzien per 1 januari 2015. Uiteraard zal de algemene maatregel van bestuur na de voorhangprocedure voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd.
Het kabinet is van plan om de fiscale gevolgen bij afkoop van een nettolijfrente op te nemen in het Belastingplanpakket dat op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Conclusie

Het is goed om te constateren dat het kabinet luistert naar enkele punten die de senatoren aandragen. Dat de afkoopmogelijkheid van een netto-lijfrente in de tweede pijler niet meer door de Pensioenwet mogelijk wordt gemaakt is volstrekt logisch. Aan de andere kant is het jammer dat het kabinet eigenwijs blijft over andere punten. Zoals de terminologie. De reden die het kabinet aandraagt om te blijven praten over 'netto-lijfrente in de tweede pijler' in plaats van netto pensioen zijn toch erg mager. Zeker de formalistische redenering dat 'pensioen in de zin van de Pensioenwet is namelijk een vorm van een lijfrente in de zin van het Burgerlijk Wetboek.' ' Wat daarvan ook waar mogen zijn, het is in ieder geval zo dat een pensioen in de zin van de Pensioenwet geen lijfrente is in de zin van de Wet IB 2001. En daar gaat het hier over.

De veronderstelling dat de onderzoekers van het Expertisecentrum Pensioenrecht van de VU ervan uitgaan dat een onder de omkeerregel gefaciliteerd pensioen alsnog in Box 3 moet worden vrijgesteld is onjuist.  Integendeel; in paragraaf 5.2 van het rapport verwijzen de auteurs naar artikel 2.14 Wet IB 201 waarin is geregeld dat als een inkomensbestanddeel, al dan niet vrijgesteld, onderdeel uitmaakt van de heffingsgrondslag in Box 1 er geen sprake kan zijn van heffing daarover in Box 3. Zij concluderen dan ook; "Met andere woorden, indien en voor zover sprake is van een pensioenregeling als bedoeld in hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964 is dit een vrijgesteld loonbestanddeel in Box 1 en kan het in die hoedanigheid dus niet worden belast in Box 3. Er is geen specifieke vrijstelling voor Box 3 nodig."

De onderzoekers concluderen slechts dat het uitvoeren van een netto pensioenregeling in de tweede pijler op grond van de Pensioenwet nu reeds mogelijk is. De Wet LB 1964 verhindert een netto pensioen evenmin. Alleen voor de vrijstelling in Box 3 van de Wet IB 2001 is een wijziging van die wet nodig. De in de richtingegevende brief gesignaleerd mogelijke knelpunten; kostendekkende premie, gescheiden administratie, kosten toerekening en kruissubsidiëring vinden hun oorzaak in de taakafbakening tussen verzekeraars en pensioenfondsen. Het is dan ook niet zo zeer de vraag of pensioenfondsen een netto pensioen in de tweede pijler mogen uitvoeren, de Pensioenwet verbiedt het immers niet. Het is meer de vraag of zij dit willen/kunnen doen. Maar dat is een afweging die een pensioenfonds zelf moet/kan maken. Dat hoeft de wetgever niet voor hem te doen.

 

Auteur:  Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis
Bron:  Nota naar aanleiding van het schriftelijk overleg toezegging richtinggevende brief novelle Witteveenkader, 12 mei 2014.

Voetnoot 1: H. Kappelle, E. Lutjens en I. Witte, Notitie: Nettopensioen in de tweede pijler. Zie ons bericht van 28 maart 2014.