Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Vrijval lijfrente is fictieve verkrijging erfbelasting

7 november 2017

Door het overlijden van moeder valt de lijfrenteverplichting van BV A vrij. De zoon is enig aandeelhouder van BV A. Volgens de rechtbank is er sprake van een fictieve verkrijging voor zoon voor de erfbelasting.

Fictieve verkrijging

Bij de inbreng van haar eenmanszaak bedong mevrouw X een lijfrente van BV A. Haar zoon nam daarna de aandelen van de BV A van mevrouw X over.

In mei 2015 werd geconstateerd dat mevrouw X ongeneeslijk ziek was en nog enkele maanden te leven had. Op 31 juli 2015 overleed zij. Ten gevolge van haar overlijden legde de inspecteur een aanslag erfbelasting op aan haar zoon, de heer B. In deze aanslag was begrepen een fictieve verkrijging – conform artikel 13a van de Successiewet 1956 (SW) – van € 218.228. De fictieve verkrijging is gelijk aan de waardeaangroei van de aandelen als gevolg van vrijval van de lijfrenteverplichting door overlijden.

B is het niet eens met de omvang van de fictieve verkrijging. Hij stelt dat op het moment dat werd geconstateerd dat zijn moeder ongeneeslijk ziek was, de waarde van de lijfrenteverplichting daalde. Op dat moment daalde immers de levensverwachting van zijn moeder naar zes maanden. Dat houdt in dat de verplichting op het moment van overlijden veel lager was dan € 218.228.

Rechtbank

De rechtbank is het eens met B dat als gevolg van de plotsklaps gewijzigde (korte)levensverwachting van mevrouw A de waarde van de aandelen van BV A geacht kan worden te zijn gestegen omstreeks mei 2015. Want in geval van een overname van de aandelen zal een derde rekening houden met de omstandigheden die van invloed zijn op de waarde van de lijfrenteverplichting. Maar volgens de rechter sluit dit niet uit dat er geen sprake is van een fictieve verkrijging als bedoeld in artikel 13a SW. Artikel 13a, eerste en tweede lid, SW, luidt als volgt:

“1. Indien aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld in waarde zijn gestegen door het overlijden van de erflater en deze aandelen of winstbewijzen worden gehouden door een ander dan de erflater, worden deze geacht door de houder krachtens erfrecht te zijn verkregen, waarbij deze aandelen of winstbewijzen voor het bedrag van de bedoelde waardestijging in aanmerking worden genomen.

2. Het eerste lid vindt slechts toepassing indien:

a. de aandelen of winstbewijzen behoren tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wetinkomstenbelasting 2001, en

b. de houder van de aandelen of winstbewijzen de partner van de erflater is of behoort tot diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun partners”.

In dit artikel staat dat het gaat om de waardestijging “door overlijden”. De rechter vertaalt dit “als gevolg van overlijden”. Het gaat dus om het oorzakelijk verband tussen het overlijden van X en de waardestijging van de aandelen van BV A. Het tijdstip van overlijden is bij de toepassing van dit artikel volgens de rechter geen criterium. Dat het gaat om een oorzakelijk verband tussen het overlijden en de waardestijging van de aandelen blijkt volgens de rechtbank ook uit de parlementaire behandeling bij de invoering van de tekst van artikel 13a SW:

“het doel van de voorgestelde regeling is de vermogensvermeerdering die in bepaalde gevallen

genoten wordt als gevolg van de waardestijging van aandelen door het wegvallen van een pensioenverplichting te treffen met successierecht.”(Tweede Kamer 1993-1994, nr. 23046, nr. 6, blz. 25”.

Op deze gronden stelt de rechtbank vast dat B ten gevolgen van het overlijden van zijn moeder in 2015 een fictieve verkrijging genoot van € 218.228.

Commentaar

Het verweer van B, dat de fictieve verkrijging veel lager was dan de geconstateerde € 218.228, is inventief. Volgens hem is de waarde van de lijfrenteverplichting niet sterk gedaald bij het overlijden van zijn moeder maar al eerder, namelijk toen werd geconstateerd dat zij ongeneeslijk ziek was.

De rechter gaat echter niet mee in dit verweer. Het mag dan wel zo zijn dat de waarde van de verplichting al daalde toen moeder ziek werd, maar de wettekst en wetsgeschiedenis veronderstellen een breder verband. Voldoende is dat de waarde van de aandelen stijgt ten gevolgen een het overlijden van moeder. En dat is hier het geval.

De rechter merkt daarbij nog op dat de uitleg van B tot het ongewenste resultaat leidt, dat de omvang van de belastingheffing afhankelijk wordt van het antwoord op de vraag of de erflaatster al dan niet plotseling is overleden. De wetgever heeft dit volgens de rechtbank niet zo bedoeld.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Den Haag, 1 september 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 november 2017.