Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Vrijval pensioenverplichting is erfrechtelijke verkrijging

12 februari 2018

Door overlijden van een DGA valt zijn pensioen in eigen beheer vrij. De mede aandeelhouder moet erfbelasting betalen over zijn aandeel in de waardestijging van de aandelen. Hij doet tevergeefs een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR).

Vrijval pensioen

De broers A en B bezitten ieder voor de helft de aandelen in F BV. Beide broers hebben aanspraken op pensioen die F BV in eigen beheer houdt.

In 2013 overlijdt A. De waarde in het economische verkeer van de pensioenverplichting voor zijn pensioenaanspraak bedraagt op dat moment bijna € 300.000. De verplichting valt vrij in de F BV. De drie kinderen van A zijn enig erfgenaam van A. Bij het opleggen van de aanslagen erfbelasting aan de kinderen is voor de verkrijging van de aandelen in F BV de bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: BOR) toegepast.

De Inspecteur legt aan broer B een aanslag erfbelasting op. In die aanslag belast de inspecteur B voor de helft van de waardestijging van de aandelen van F BV door het vrijvallen van de pensioenverplichting aan A. B maakt bezwaar tegen de aanslag. Hij meent dat hij ook gebruik kan maken van de BOR. Wanneer hij geen gebruik kan maken van de BOR, dat is er volgens hem sprake  van ongelijke behandeling.

Geen toepassing BOR op fictieve verkrijging

Het Hof constateert dat de waardestijging van de aandelen F BV  een fictieve erfrechtelijke verkrijging is, als bedoeld in artikel 13a van de Successiewet. De waardestijging is het gevolg van het overlijden van A. En B was ten tijde van het overlijden van A houder van een aanmerkelijk belang in F BV en hij is een bloedverwant van A.

Het Hof bepaalt vervolgens dat B geen beroep kan doen op de BOR. Op grond van de BOR kunnen erfgenamen een voorwaardelijke vrijstelling krijgen voor de erfrechtelijke verkrijging van ondernemersvermogen. Deze bepaling geldt ook voor de verkrijging van aandelen die tot een aanmerkelijk belang horen. Volgens het Hof geldt die voorwaardelijke vrijstelling alleen voor de verkrijging van aandelen die bij de erflater tot een aanmerkelijk belang hoorden. De aandelen van B in F BV, waarop de fictieve verkrijging ziet, behoorden niet tot het aanmerkelijk belang van erflater A.

B wijst nog op een Besluit van 2011 waarin is het volgende is opgenomen:

“3.5. Fictieve verkrijging

De BOR is ook van toepassing op ondernemingsvermogen dat krachtens fictie wordt verkregen, zoals een verkrijging bij leven of overlijden krachtens een verblijvingsbeding.”

Het Hof oordeelt dat hieruit niet gelezen kan worden dat de BOR bij een fictieve verkrijging altijd van toepassing is ongeacht of aan de voorwaarden van de BOR is voldaan. Dus ook bij een fictieve verkrijging moet volgens het Hof aan de voor de BOR gestelde voorwaarden zijn voldaan.

Ten slotte stelt B dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. B voert hiervoor aan dat  de langstlevende firmant niet op grond van artikel 13a van de SW wordt belast bij een vennootschap onder firma met lijfrenteverplichtingen voor de firmanten op de balans. Het Hof is het niet eens met B. Volgens het Hof is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden omdat de situatie van een pensioenvoorziening op de balans van een BV zowel feitelijk als juridisch niet gelijk is aan die van een lijfrenteverplichting op de balans van een vennootschap onder firma.

Commentaar

Het komt bij familiebedrijven vaker voor dat familieleden gezamenlijk aandeelhouder zijn in een BV. Als dan aan één of meer van hen pensioenaanspraken zijn toegekend die de BV in eigen beheer houdt, leidt dat tot onaangename fiscale consequenties bij overlijden van de pensioengerechtigde. Want door het overlijden valt de verplichting in de BV vrij. De BV moet over de winst die hierdoor ontstaat vennootschapsbelasting betalen. Daarnaast leidt de waardestijging van de aandelen tot het betalen van erfrecht en te zijner tijd ook tot inkomstenbelasting over het aanmerkelijk belang. Een driedubbel heffing die kan oplopen tot meer dan 70%!

B wilde door toepassing van de BOR de heffing van erfbelasting uitstellen. Deze regeling is immers gemaakt voor overname van ondernemingen en/of aandelen bij overlijden. Helaas voldeed hij niet aan de voorwaarde dat aandelen moeten overgaan van de erflater naar de erfgenaam. Hij had zijn aandelen immers al.

Dit is een nadeel van het aanhouden van pensioen in eigen beheer in familie-BV ’s. Voor DGA ’s, die in het kader van de uitfasering van pensioen in eigen beheer, hun pensioen afkopen of omzetten in een oudedagsverplichting speelt dit niet meer. Maar om een belaste schenking van de DGA aan de andere aandeelhouder(s) te voorkomen zal de DGA al direct bij afkoop of omzetting van het pensioen in eigen beheer de andere aandeelhouders moeten compenseren. 

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 mei 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 7 februari 2018.