Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

In VS ontvangen lijfrente niet in Nederland belast

1 augustus 2018

X woont in de VS en ontvangt vanuit Nederland een overbruggingslijfrente. Voor de toepassing van de Wet IB 2001 kiest X voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige. Hij geeft de overbruggingslijfrente echter niet op vanwege opgewekt vertrouwen. Het Hof honoreert dit.   

Overbruggingslijfrente in de VS

X en zijn echtgenote wonen in de Verenigde Staten. Zij hebben aldaar een eigen woning waarop een hypotheek rust. X ontvangt van het ABP een pensioen van ongeveer € 75.000 per jaar. In de periode van 2008 tot en met 2012 ontvangt X van Aegon een overbruggingslijfrente. 

X kiest ervoor om voor de Nederlandse inkomstenbelasting te worden behandeld als binnenlandse belastingplichtige. Maar hij geeft de ontvangen overbruggingslijfrente niet op in zijn aangifte inkomstenbelasting. In de aanslag 2012 corrigeert de inspecteur de aangifte en rekent de overbruggingslijfrente wel tot het Nederlandse inkomen van X.

X maakt bezwaar tegen de aanslag. Hij wijst erop dat hij in 2008 al over de overbruggingslijfrente heeft gecorrespondeerd met de klachtenbehandelaar van de belastingdienst. In deze correspondentie geeft hij duidelijk aan waarom hij de overbruggingslijfrente niet tot het Nederlandse inkomen rekent. Hij krijgt geen antwoord op deze correspondentie maar de Inspecteur volgt zijn aangiftes IB 2008 tot en met 2011. 

De inspecteur wijst erop dat de overbruggingslijfrente, nu X ervoor heeft gekozen om te worden behandeld als binnenlandse belastingplichtige – ook tot het Nederlandse inkomen behoort. De Belastingdienst heeft volgens de Inspecteur geen standpunt ingenomen dus kan er volgens hem geen sprake zijn van een opgewekt vertrouwen.

Overbruggingslijfrente niet in Nederland belast 

Het Hof vindt dat er wel sprake is van een opgewekt vertrouwen. Volgens het Hof heeft X in de klachtenbrief uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld dat hij de door hem in het jaar 2008 genoten lijfrente-uitkering niet in de aangifte IB/PVV 2008 heeft opgenomen. Omdat de klachtenbehandelaar namens de Inspecteur en onder diens verantwoordelijkheid handelt, heeft X met de klachtenbrief uitdrukkelijk en gemotiveerd bij de Inspecteur aan de orde gesteld dat en met welke reden hij de lijfrente-uitkering in het desbetreffende jaar niet in de aangifte IB/PVV 2008 heeft aangegeven X mocht erop vertrouwen dat de Inspecteur op het moment van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2008 op de hoogte was waarom hij de in dat jaar genoten lijfrente-uitkering niet in de aangifte IB/PVV 2008 had aangegeven. Omdat de Inspecteur, desondanks, de aanslag IB/PVV 2008 overeenkomstig de door X ingediende aangifte heeft opgelegd, kon bij X de indruk ontstaan dat deze gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling. Het Hof verwijst hierbij naar  Hoge Raad 13 december 1989, nr. 25.077, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179. 

De Inspecteur stelde nog dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2008, niet op de hoogte was van de correspondentie.  Het Hof vindt dat deze omstandigheid – die kennelijk het gevolg is van de interne organisatie binnen de Belastingdienst – voor rekening en risico van de Inspecteur moet  blijven. Het Hof voegt hieraan toe dat de Inspecteur ook gedurende de jaren 2009, 2010 en 2011 de overbruggingslijfrente niet in het Nederlandse inkomen van X betrok. Volgens het Hof mocht X naar aanleiding van zijn klachtenbrief in 2008 en de daarna volgende bestendige gedragslijn van de Inspecteur ervan uitgaan dat de Inspecteur een bewuste standpunt had ingenomen. En dat dit standpunt ertoe leidt dat de overbruggingslijfrente ook in 2012 niet tot het Nederlandse inkomen zou behoren. Het Hof vindt dat niet gebleken is dat het door voornoemde gedragslijn gewekte in rechte te beschermen vertrouwen voorafgaande aan het opleggen van de aanslag IB/PVV 2012 is opgezegd. 

Commentaar

Volgens het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen de VS en Nederland wordt de belastingheffing over een lijfrente toegewezen aan het woonland, in dit geval de VS. Tot 2015 konden in het buitenland wonende belastingplichtigen ervoor kiezen om in Nederland als binnenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt. X zal daarvoor gekozen hebben omdat zijn inkomen grotendeels uit een in Nederland belast staatspensioen bestond en hij in Nederland de hypotheekrente kon aftrekken. In dat geval mocht Nederland ook heffen over de lijfrente-uitkering. Voor zover over de lijfrente dubbele belasting werd geheven moest Nederland een tegemoetkoming bieden. Maar zover kwam het niet. 

Sinds 2015 is de keuze om aangemerkt te worden als binnenlands belastingplichtige vervangen door de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Met de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht bestaat recht op dezelfde aftrekposten en heffingskortingen als een inwoner van Nederland. Om hiervoor in aanmerking te komen moet voldaan worden aan een aantal voorwaarden. Eén van de voorwaarden is dat over tenminste 90% van het wereldinkomen inkomstenbelasting moet worden betaald. Wordt niet aan alle voorwaarden voldaan, dan is er sprake van buitenlandse belastingplicht. Bij de berekening van de inkomstenbelasting wordt dan geen rekening gehouden met aftrekposten en heffingskortingen die gelden voor inwoners van Nederland. De belastingplichtige mag dan bijvoorbeeld de rente van de lening voor de eigen woning niet meer aftrekken in de aangifte inkomstenbelasting. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 april 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 1 augustus 2018.