Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Waardeoverdracht naar APF

16 september 2016

Staatssecretaris Klijsma reageert op de zorgen van de Eerste Kamer over mogelijk ongewenste gevolgen van een overstap naar een algemeen pensioenfonds voor individuele pensioengerechtigden. De zorgen gaan vooral over de individuele premieregeling in de vorm van een excedent- of nettopensioenregeling. In haar brief schetst Klijnsma de systematiek van collectieve waardeoverdracht en de wettelijk waarborgen die Nederland hiervoor heeft getroffen.

Twee vormen van collectieve waardeoverdracht

Er zijn twee vormen van collectieve waardeoverdracht. Allereerst een collectieve waardeoverdracht op verzoek van de werkgever en ten tweede een collectieve waardeoverdracht als gevolg van liquidatie van de pensioenuitvoerder. Voor beide vormen van collectieve waardeoverdracht geldt een verschillend juridisch kader, met bijbehorende onderscheiden wetsartikelen. Op een collectieve waardeoverdracht op verzoek van de werkgever is artikel 83 Pensioenwet (PW) van toepassing en op een collectieve waardeoverdracht als gevolg van liquidatie van de pensioenuitvoerder is dat artikel 84 PW. Bij artikel 83 PW hebben de deelnemers een individueel bezwaarrecht. Dit komt naast de waarborgen voor collectieve belangenbehartiging. Bij artikel 84 PW gelden deze waarborgen voor collectieve belangenbehartiging eveneens. In het eerste geval hebben individuele deelnemers echter daadwerkelijk een alternatief (aanspraken achterlaten bij de oorspronkelijke pensioenuitvoerder), terwijl in het tweede geval dat alternatief ontbreekt, omdat de huidige pensioenuitvoerder liquideert.

Collectieve belangenbehartiging bij een collectieve waardeoverdracht

In alle gevallen is een collectieve waardeoverdracht omgeven met drie waarborgen voor collectieve belangenbehartiging:

  • 1. Naast de partijen in het collectieve arbeidsvoorwaardenoverleg is ook de ondernemingsraad (OR) betrokken bij het vaststellen van de pensioenregeling. Door de Eerste Kamer is bovendien kort geleden een wetsvoorstel aangenomen dat de bevoegdheden van een OR aanscherpt. Het instemmingsrecht van de OR ziet daardoor ook op een voorgenomen besluit van de werkgever voor een pensioenuitvoerder, waaronder dus ook een algemeen pensioenfonds.
  • 2. De eis van evenwichtige belangenbehartiging door een pensioenfondsbestuur. Ook bij een voorgenomen liquidatie van het pensioenfonds en de daaropvolgende collectieve waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder geldt deze verplichting.
  • 3. Het toezicht van DNB op evenwichtige belangenbehartiging. DNB kan een collectieve waardeoverdracht verbieden indien zij van mening is dat er geen sprake is van een evenwichtige belangenbehartiging. In de praktijk leidt een voornemen tot een collectieve waardeoverdracht tot een interactie met de toezichthouder, met als doel om het pensioenfondsbestuur naar beste vermogen te laten voldoen aan de eis van evenwichtige belangenafweging.

Individueel bezwaarrecht bij collectieve waardeoverdracht

Bij een collectieve waardeoverdracht op verzoek van de werkgever is er ook sprake van een individueel bezwaarrecht. Dit houdt in dat de deelnemer, zelfs zonder motivatie, bezwaar kan maken tegen het overdragen van zijn reeds opgebouwde pensioenaanspraken. De collectieve waardeoverdracht gaat dan wel door, maar de opgebouwde pensioenaanspraken van deelnemers die bezwaar maken blijven achter bij de huidige pensioenuitvoerder.

Rol van DNB bij liquidatie pensioenfonds en collectieve waardeoverdracht

Klijnsma wijst in haar brief erop dat gemiddeld 50 pensioenfondsen per jaar liquideren, waarbij het van groot belang is dat deze liquidaties beheerst en zorgvuldig worden uitgevoerd. Toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) ziet daarop toe, met als centraal uitgangspunt bij het beoordelen van een verzoek tot collectieve waardeoverdracht, dat deelnemers – zowel die van de overstappende als die van de ontvangende partij - geen nadeel mogen ondervinden van de collectieve waardeoverdracht.

Collectieve waardeoverdracht van een vrijwillige pensioenregeling naar een APF

Ook een vrijwillige pensioenregeling is onderdeel van een pensioenovereenkomst die sociale partners collectief afgesproken hebben. De mate waarin individuele deelnemers ‘intekenen’ op de geboden optie doet daar niet aan af. De deelnemers die dat wel doen moeten erop mogen rekenen dat hun belangen daadwerkelijk behartigd worden door de hen vertegenwoordigende organen. Bij de vraag van de Eerste Kamer – en gegeven dat achterblijven bij een liquiderend fonds geen optie is – gaat het er alleen nog om of de over te hevelen individuele pensioenaanspraken bij het ontvangende algemeen pensioenfonds (APF) in dezelfde collectiviteitskring als de (verplichte) basispensioenregeling worden ondergebracht of in een andere collectiviteitskring, aldus Klijnsma. Onderbrengen van een vrijwillige regeling bij hetzelfde collectief als de basispensioenregeling kan op de deelnemer weliswaar ‘veilig’ en ‘vertrouwd’ overkomen, maar het is de vraag of het deelnemersbelang met deze keuze van onderbrenging het best wordt gediend. Klijnsma noemt als argument de ’fiscale en administratieve hygiëne‘: de typen regelingen zijn zodanig verschillend dat een onderscheiden onderbrenging dienstig kan zijn om de risico’s op registratiefouten te reduceren. Ook belangrijk volgens haar is dat een afgescheiden vermogen bestaande uit vrijwillige regelingen (veelal van het type beschikbare premieregeling) een meer toegespitst, op de risicohouding van de deelnemers afgestemd, beleggingsbeleid mogelijk maakt dan bij een vermenging met de basisregeling haalbaar is.

Als een fonds wil liquideren en aansluiting zoekt bij een APF kan er, mede afhankelijk van wat een APF te bieden heeft, een keuze voorliggen. Ofwel:

  • het toetredende fonds kan en wil het ongedeelde vermogen ‘bij elkaar houden’ en in zijn geheel onderbrengen in een nieuwe eigen (of bestaande gedeelde) collectiviteitskring van het APF, ofwel
  • het fonds kiest ervoor het vermogen van de basisregeling en dat van de vrijwillige regeling te splitsen en vervolgens op te laten nemen in daarop toegesneden collectiviteitkringen.

 

Een fondsbestuur zou de standpunten van de deelnemers uit kunnen laten vragen via bijvoorbeeld een verzoek aan het verantwoordingsorgaan, dan wel het belanghebbendenorgaan, om een peiling ter zake te houden onder de achterban.

Commentaar

Klijnsma is van mening dat de toepassing van artikel 84 PW op een collectieve waardeoverdracht naar een APF voldoende waarborgen biedt voor een evenwichtige belangenafweging ten behoeve van alle belanghebbenden. Toch wil zij onderzoeken of deelnemers aan een vrijwillige regeling bij overstap naar een APF meer inspraak kunnen krijgen. Dit mag alleen niet ten koste gaan van een efficiënte overstap. Klijnsma gaat in gesprek met sociale partners en pensioenuitvoerders om te kijken of er een tussenvorm mogelijk is tussen artikel 84 en artikel 83, dat individuele deelnemers wél individueel bezwaarrecht geeft. Ze wil dit meenemen bij de wetswijziging voor waardeoverdracht die eerder werd aangekondigd. Zie bijvoorbeeld ons nieuwsbericht van 14 december 2015 en 19 april 2016.

Met de komst van het APF is artikel 84 PW ook van toepassing bij het opheffen van een collectiviteitskring door een APF.

Auteur: Erik Schouten, internationaal adviseur AEGON Adfis

Bron: Kamerbrief over waardeoverdracht pensioen overgang naar algemeen pensioenfonds, 13 september 2016.

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 16 september 2016.