Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Waardering fictieve verkrijging bij vrijval lijfrente

20 februari 2019

B is enig aandeelhouder van BV A. Door het overlijden van de moeder van B valt de lijfrenteverplichting van BV A vrij. Volgens de Hoge Raad mag B geen rekening houden met een afwaardering van de lijfrenteverplichting op het moment dat moeder ongeneeslijk ziek werd verklaard.

Fictieve verkrijging

B houdt alle aandelen van BV A. BV A had een lijfrenteverplichting van de moeder van B in eigen beheer. In mei 2015 werd geconstateerd dat de moeder ongeneeslijk ziek was en nog enkele maanden te leven had. Op 31 juli 2015 overleed zij. In de aanslag erfbelasting van B was begrepen een fictieve verkrijging – conform artikel 13a van de Successiewet 1956 (SW) – van € 218.228. De fictieve verkrijging is gelijk aan de waardeaangroei van de aandelen als gevolg van vrijval van de lijfrenteverplichting door overlijden.

B is het niet eens met de omvang van de fictieve verkrijging. Hij stelt dat op het moment dat werd geconstateerd dat zijn moeder ongeneeslijk ziek was – mei 2015- de waarde van de lijfrenteverplichting daalde. Dat houdt in dat de verplichting op het moment van overlijden van de moeder – 31 juli 2015 - veel lager was dan € 218.228.

Waardering fictieve verkrijging

Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof zijn het niet eens met de zienswijze van B. In ons bericht van 7 november 2017 gingen wij in op de uitspraak van de Rechtbank.

Zowel de Rechtbank als het Hof gaan ervan uit dat er een causaal verband is tussen het overlijden van de moeder en de waardestijging van de aandelen BV A. En dat bij de waardering van de fictieve erfrechtelijke verkrijging geen afwaardering kan plaatsvinden in verband met ziekte van de moeder.

Volgens de Hoge Raad houdt artikel 13a, lid 1, SW (tekst 2015) in dat de waardestijging van aandelen in een BV door het overlijden van de erflater wordt geacht krachtens erfrecht te zijn verkregen. Dit geldt wanneer de houder van de aandelen een ander is dan de erflater.

Artikel 13a SW is ingevoerd om een einde te maken aan constructies waarbij oudedagsvoorzieningen van een erflater worden ondergebracht in een vennootschap waarvan de aandelen worden gehouden door een ander dan die erflater. Zonder deze fictie zou een waardestijging van die aandelen, ten gevolge van het overlijden van een erflater, onbelast blijven omdat geen sprake is van een erfrechtelijke verkrijging. De wetgever heeft volgens de Hoge Raad zoveel mogelijk een gelijke fiscale behandeling tot stand willen brengen van enerzijds gevallen waarin de aandelen in handen zijn van de erflater zelf en anderzijds gevallen waarin de aandelen in handen zijn van anderen. Daarom creëerde de wetgever voor dergelijke gevallen een fictieve erfrechtelijke verkrijging waarover erfbelasting geheven kan worden.

De waardestijging moet in aanmerking worden genomen naar de waarde in het economische verkeer die daaraan kan worden toegekend op het tijdstip van het overlijden. In dit geval is de moeder overleden door een in 2015 geconstateerde ongeneeslijke ziekte en is de lijfrentevoorziening door haar overlijden gedaald naar nihil. Volgens de Hoge Raad wordt aan de bedoeling van de wetgever dan recht gedaan door voor de op grond van artikel 13a SW te belasten waardestijging van de aandelen ook rekening te houden met een eventuele eerdere afwaardering van die voorziening in verband met verminderd langlevenrisico van de verzekerde. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie van B ongegrond.

Commentaar

Actuarieel bezien heeft B gelijk. Toen in mei 2015 werd geconstateerd dat de moeder van B nog hoogstens zes maanden te leven had daalde de actuariële waarde van de lijfrenteverplichting sterk. Maar de rechters interpreteren de wet anders. Zij kijken naar het causale verband van de waarde stijging van de aandelen en het overlijden van de moeder. Daarbij speelt ook de bedoeling van de wetgever een rol. Het is nu eenmaal zo dat veel mensen overlijden nadat ze eerst ziek zijn geworden. Bij de uitleg van B zou de omvang van de belastingheffing afhankelijk worden van het al dan niet plotseling overlijden van de erflater. Volgens de rechters heeft de wetgever dit niet zo bedoeld.

In dit geval volgde het overlijden van moeder kort nadat bij haar een ernstige ziekte werd geconstateerd. Maar geldt dit ook als tussen het constateren van de ziekte en het overlijden veel tijd zit? Bijvoorbeeld als in jaar één wordt geconstateerd dat de erflater terminaal ziek is, terwijl de erflater pas in jaar drie overlijdt? Volgens goed koopmansgebruik mag je dan de lijfrenteverplichting in jaar één afwaarderen. Deze afwaardering verhoogt de fiscale winst. Maar moet je voor de bepaling van de fictief erfrechtelijke verkrijging in jaar drie nog rekening houden met die afwaardering? Het lijkt daar wel op want de Hoge Raad geeft bij de uitleg van de bedoeling van artikel 13a, lid 1, SW geen tijdsbepaling aan.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 15 februari 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 19 februari 2019