Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?

10 juni 2015

De staatssecretaris van SZW stuurde de Eerste Kamer op 27 januari 2015 een brief over de mogelijkheden voor arbeidsongeschikte deelnemers om aan een netto pensioenregeling deel te nemen. De Eerste Kamer zette vraagtekens bij haar standpunt. Op 5 juni reageerde Klijnsma op de vragen en opmerkingen uit de Eerste Kamer. Maar, waarom moeilijk doen, wanneer het makkelijk kan?

Wat speelde er?

Volgens de staatssecretaris kan iemand met premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid een aanbod van een nabestaandenpensioen krijgen in de vorm van een netto pensioen omdat hij nog steeds pensioenaanspraken jegens een pensioenuitvoerder verwerft en daarmee deelnemer is in de zin van de PW. De Vaste Commissie voor SZW in de Eerste Kamer concludeerde echter; “Weliswaar kan een deelnemer ook een gewezen werknemer zijn als hij na beëindiging van het dienstverband nog pensioenaanspraken verwerft, maar een pensioenovereenkomst kan op grond van de definities in de wet uitsluitend tussen een werkgever en werknemer worden afgesloten en niet tussen een werkgever en een gewezen werknemer”. De Commissie vond dan ook dat het standpunt van de staatssecretaris geen juridisch houdbare uitkomst kan opleveren en vroeg om een nadere reactie. Zie ook ons bericht van 28 januari 2015.

 

Brief van 5 juni 2015

Volgens de staatssecretaris blijkt uit de parlementaire behandeling van de Pensioenwet dat er wel degelijk ruimte is om aan gewezen werknemers een aanbod voor een netto pensioen te doen. Zij onderbouwt dit als volgt. Het netto pensioen is een vrijwillige regeling als bedoeld in artikel 117 PW. En daardoor een aanvulling op een door het pensioenfonds uitgevoerde basisregeling. Het netto pensioen kan dus tot stand komen als onderdeel van een wijziging van de basisregeling. Dit betekent volgens de staatssecretaris dat het onder de Pensioenwet mogelijk is dat een arbeidsongeschikte deelneemt aan een netto pensioenregeling die de werkgever aanbiedt. Een dergelijk aanbod vereist volgens haar geen nieuwe pensioenovereenkomst tussen de gewezen werkgever van de arbeidsongeschikte gewezen werknemer.

Commentaar

Het betoog van de staatssecretaris overtuigt ons niet. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de parlementaire behandeling van de PW. Helaas geeft ze daarbij geen nadere vindplaats aan. In dezelfde parlementaire geschiedenis en die bij de Verzamelwet Pensioenen 2014, die het netto pensioen introduceerde, zijn aanwijzingen voor het tegenovergestelde te vinden. In de memorie van toelichting PW bijvoorbeeld staat; “Zoals hiervoor aangegeven kan een pensioenfonds uitsluitend een vrijwillige regeling aanbieden wanneer ook een basisregeling bestaat”. “Aanbieden” impliceert dat de vrijwillige regeling geen onderdeel is van de basisregeling, maar afzonderlijk moet worden afgesloten. Het vervolg van de memorie van toelichting versterkt deze conclusie; “Het begrip ‘vrijwillige pensioenregeling’ is hier gedefinieerd om het onderscheid aan te duiden met de ‘basispensioenregeling’ en dat is noodzakelijk in verband met de definitie van pensioenfonds en om de bepalingen inzake de taakafbakening te formuleren”. Een vrijwillige regeling is kennelijk geen onderdeel van de basisregeling, maar een daarvan duidelijk te onderscheiden zelfstandige regeling.
“Vrijwillige regelingen moeten dus altijd gekoppeld zijn aan een voor de deelnemers verplichte collectieve basisregeling”. Gekoppeld zijn aan, is iets anders dan onderdeel zijn van of aanvulling op de basisregeling. En ook “Er kan dus ook sprake zijn van een vrijwillige pensioenregeling zonder dat sprake is van een basispensioenregeling, maar een dergelijk zelfstandige vrijwillige pensioenregeling kan alleen door een verzekeraar worden uitgevoerd”. Ook hieruit blijkt dat de vrijwillige regeling geen onderdeel is van de basisregeling, maar een afzonderlijke pensioenovereenkomst, die afzonderlijk moet worden overeengekomen tussen werkgever en werknemer.

In de parlementaire stukken bij de Verzamelwet Pensioenen 2014 vinden we de volgende passages die erop wijzen dat we het netto pensioen als een afzonderlijke overeenkomst moeten beschouwen. “In antwoord hierop zij opgemerkt dat dat er geen verschillen optreden door het hanteren van de term netto lijfrente in plaats van de term netto pensioen. Het gaat immers om een netto lijfrente die onderdeel uitmaakt van de arbeidsvoorwaardelijke afspraak tussen werkgevers en werknemers en daarmee ‘pensioen’ is in de zin van de PW. Dat geldt ook voor het nabestaandenpensioen”. De staatssecretaris geeft in haar brief terecht aan dat vertegenwoordigende organisatie van werkgevers en werknemers dergelijke arbeidsvoorwaardelijke afspraken ook kunnen maken. Maar het blijven afspraken tussen werkgevers en werknemers en niet tussen gewezen werkgevers en gewezen werknemers.

Tenslotte wijst de staatssecretaris erop dat de suggestie van de Vaste Commissie om arbeidsongeschikte deelnemers in een pensioenfonds hetzelfde te behandelen als dergelijke deelnemers in een rechtstreeks verzekerde regelingen (handhaven van de oude regeling) leidt tot onwenselijke gevolgen. Dit staat haaks op het uitgangspunt dat een wijziging van het fiscale kader voor pensioenregelingen in beginsel van toepassing is op alle bestaande pensioenregelingen. En dat geldt ook voor pensioenregelingen voor gewezen deelnemers met premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid. Dat is in beginsel helemaal waar. Maar waar het om gaat, is dat dit leidt tot nog veel onwenselijker consequenties voor deze deelnemers. Alle goede bedoelingen van de staatssecretaris ten spijt denken wij nog steeds dat haar brief geen oplossing biedt. Het heeft er alle schijn van dat sprake is van een doelredenering. Daarin schuilt meteen ook het gevaar dat we verzanden in een welles-nietes discussie. Daarom is het wellicht raadzaam om een onafhankelijke opinie te vragen, bijvoorbeeld van de Raad van State.

Een andere manier om de discussie op dit punt te beëindigen is een oplossing waarvan het bij voorbaat klip en klaar is dat hij voor iedereen geldt. De aftopping van het pensioengevend salaris op € 100.000 geldt niet voor arbeidsongeschiktheidspensioen. Dit omdat er volgens de regering  sprake van is verzorging in de vorm van een inkomen vervangende uitkering en niet van (verkapte) vermogensvorming. Ook dat onderschrijven we van harte. Maar wat is het verschil met een nabestaandenpensioen op risicobasis? Ook dat is een inkomen vervangende uitkering waarin geen waarde zit. Dus, schrap de aftopping op € 100.000 voor het nabestaandenpensioen op risicobasis, zoals dat nu al voor het arbeidsongeschiktheidspensioen het geval is. Probleem opgelost!

 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Brief staatssecretaris van SZW aan Eerste Kamer, 5 juni 2015

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 10 juni 2015.