Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Wederom: Artikel 20 Pensioenwet verbiedt wijziging onvoorwaardelijke toeslagverlening opgebouwde aanspraken

Wederom: Artikel 20 Pensioenwet verbiedt wijziging onvoorwaardelijke toeslagverlening opgebouwde aanspraken

18 november 2020

Na de rechtbank Noord Holland in 2019, Rechtbank en Hof Den Haag in 2020, oordeelt ook Hof Amsterdam dat, als geen sprake is van een collectieve waardeoverdracht,  artikel 20 Pensioenwet de wijziging van onvoorwaardelijke toeslagverlening voor opgebouwde aanspraken van deelnemers verbiedt.

Werkgever wijzigt eenzijdig collectieve pensioenregeling

Werkgever X heeft voor zijn werknemers een collectieve pensioenregeling. In de arbeidsovereenkomst met zijn werknemers staat onder andere; “de werkgever kan één of meer artikelen van deze arbeidsovereenkomst eenzijdig wijzigen, indien hij daarbij een zwaarwichtige belang heeft”. En; “de werknemer aanvaardt dat de voorwaarden respectievelijk regelingen genoemd in artikel 8 van deze overeenkomst van tijd tot tijd kunnen wijzigen, in welk geval de gewijzigde voorwaarden van toepassing zijn”. Artikel 8 van de overeenkomst verwijst naar de personeelsgids, waarvan het pensioenreglement deel uit maakt.

In april 2015 kondigt X in een e-mail aan de OR aan dat hij de pensioenregeling wil wijzigen; “in verband met de acute financieringsproblematiek en de onbeheersbaarheid van de kosten”. X wil overstappen van een uitkeringsovereenkomst met een opbouwpercentage van 1,875 per dienstjaar naar een CDC-regeling. In november 2015 legt X het voorgenomen besluit tot wijziging van de pensioenregeling ter instemming voor aan de OR. Een van de voorgestelde wijzigingen betrof het vervangen van de onvoorwaardelijke toeslagverlening voor actieven door een voorwaardelijke toeslag. Op 21 december 2015 stemt de OR schriftelijk in met de voorgestelde wijzigingen, die op 1 januari 2016 ingingen. Een aantal individuele deelnemers maakte bezwaar bij de bezwaarcommissie. Deze oordeelde in juni 2017 dat geen sprake was van wijzigingen die in de specifieke situatie van  deze deelnemers zodanig onredelijk en onbillijk zijn dat op basis daarvan (onderdelen van) de pensioenregeling 2014 in stand zou moeten blijven. Ook vindt de bezwaarcommissie het niet nodig dat er een andere overgangsmaatregel ter compensatie zou moeten worden getroffen.

Kantonrechter wijst vordering af......

De betreffende deelnemers stapten naar de kantonrechter Amsterdam. Deze wijst hun vordering af. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft X een zwaarwichtig belang om tot wijziging van de pensioenregeling te komen. De door de betreffende deelnemers gestelde onredelijke uitkomst van de financiële opzet voor hen levert naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende grond op om vast te stellen dat het zwaarwichtige belang van X bij wijziging van de pensioenregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou moeten wijken voor het belang van deze deelnemers bij een ongewijzigde voortzetting van de regeling.

......maar Hof in hoger beroep niet

Hof Amsterdam komt in hoger beroep tot een ander oordeel. Het Hof constateert allereerst dat niet in geschil is dat de arbeidsovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding inhoudt voor een of meer artikelen van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst incorporeert de personeelsgids waarin de pensioenregeling is opgenomen waarvan de inhoud geacht wordt onderdeel uit te maken van de arbeidsovereenkomst. Daarmee voldoet het naar het oordeel van het Hof aan de eis van artikel 19 Pensioenwet dat X zich de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid schriftelijk in de pensioenovereenkomst heeft voorbehouden.

De deelnemers voerden echter ook aan dat, ook al zou een eenzijdige wijziging onder omstandigheden mogelijk zijn, de wijziging van een onvoorwaardelijke naar een voorwaardelijke toeslagverlening in strijd is met artikel 20 Pensioenwet en dus nietig. Het Hof volgt de deelnemers hierin. Op grond van artikel 20 Pensioenwet worden tot het moment van wijziging opgebouwde aanspraken niet gewijzigd, behoudens in de gevallen waarin sprake is van een collectieve waardeoverdracht of een korting door het pensioenfonds. Het Hof geeft aan dat artikel 1 Pensioenwet de pensioenaanspraak definieert als het recht op een niet ingegaan pensioen uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening. Het Hof constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat de toeslag in het pensioenreglement 2014 geen voorwaardelijke toeslag is. Het Hof concludeert vervolgens dat geen sprake is van een collectieve waardeoverdracht, zodat de wijziging alleen van toepassing is op de pensioenaanspraken die de deelnemers vanaf 1 januari 2016 opbouwen.

Het Hof verklaart voor recht dat de wijziging van de pensioenovereenkomst 2014 nietig is voor wat betreft de afschaffing van de onvoorwaardelijke toeslagverlening van de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken. Daarnaast verklaart het Hof dat een aantal andere door X doorgevoerde wijzigingen voor opgebouwde aanspraken ook niet rechtsgeldig zijn.

Commentaar

Het Hof komt tot de conclusie dat de door X doorgevoerde wijzigingen voor zover zij de opgebouwde pensioenaanspraken raken, niet rechtsgeldig tot stand kwamen. Wij beperken ons in dit nieuwsbericht tot de wijziging van de onvoorwaardelijke toeslagverlening in een voorwaardelijke.
Hoewel de meningen hierover in de literatuur verschillen, zie onder andere Teun Huijg in PensioenMagazine van maart 2020, tekent zich in de rechtspraak inmiddels een consistente lijn af. Net zoals Rechtbank Noord Holland (zie ons nieuwsbericht van 26 september 2029), Hof Den Haag (zie ons nieuwsbericht van 24 januari 2020) en Rechtbank Den Haag (zie ons nieuwsbericht van 9 september 2020) komt Hof Amsterdam tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke toeslag onderdeel uitmaakt van de pensioenaanspraak zoals gedefinieerd in artikel 1 Pensioenwet. En dat betekent dat een wijziging van de pensioenregeling op dit gebied geen effect heeft op de tot de datum van wijziging opgebouwde pensioenaanspraken, ook voor wat betreft de in de toekomst nog te verlenen toeslagen. De vraag of een dergelijke wijziging op basis van een eenzijdig wijzigingsbeding kan plaatsvinden, is niet relevant. Een dergelijke wijziging is volgens deze jurisprudentie op basis van artikel 20 PW per definitie niet mogelijk.

Zoals wij al eerder aangaven, zijn deze uitspraken met name interessant in de discussie rond het nieuwe pensioenstelsel en de vraag of er bij pensioenfondsen sprake zou moeten zijn van (verplicht) invaren van oude rechten in het nieuwe contract. Het nieuwe contract kent geen nominale zekerheid of onvoorwaardelijke indexatie meer. Artikel 20 Pensioenwet is echter uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard als sprake is van een collectieve waardeoverdracht op grond van artikel 83 Pensioenwet. Als invaren op die wijze vorm krijgt, kan dus ook een onvoorwaardelijke toeslag hierdoor wijzigen.

Bron: Hof Amsterdam, 3 november 2020, ECLI:GHAMS:2020:2930

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 18 november 2020.