Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Wederom samenloop WW en prepensioen met korting als gevolg

Wederom samenloop WW en prepensioen met korting als gevolg

12 oktober 2020

WW-uitkering toch gekort. Ondanks dat X vóór intreden werkloosheid al vier jaar loon en prepensioen uit dezelfde dienstbetrekking ontving.

UWV brengt pensioenuitkering in mindering op WW-uitkering

X trad op 1 mei 1984 in dienst bij werkgever M. Het dienstverband eindigde per 1 juli 2018 met een vaststellingsovereenkomst. Het UWV kende X met ingang van 2 juli 2018 een WW-uitkering toe. X stelde het UWV met een inkomstenopgave ervan in kennis dat hij een ouderdomspensioen ontvangt ter grootte van € 3.303 per maand. X ontvangt dit pensioen vanaf 1 januari 2014. Het UWV besloot het ouderdomspensioen op de WW-uitkering in mindering te brengen.

X maakte bezwaar tegen het besluit dat zijn ouderdomspensioen (prepensioen) in mindering wordt gebracht op zijn WW-uitkering. Het UWV verklaarde het bezwaar van X ongegrond omdat er geen sprake is van een pensioen uit een andere dienstbetrekking dan die waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontstaan. X gaat hiertegen in beroep.

Beperkt aantal uitzonderingen voor korting WW met pensioen

Volgens de rechtbank heeft het UWV het prepensioen van X terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering.

Als hoofdregel geldt dat (pre)pensioen wordt verrekend met een WW-uitkering. Dit is geregeld in artikel 47, eerste lid van de WW en artikel 3.5, vierde lid van het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (AIB). In artikel 3.5 van het AIB staan ook enkele uitzonderingen op deze hoofdregel. In dit geval is het zevende lid van artikel 3.5 van belang: “In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, wordt niet tot inkomen in verband met arbeid gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde reeds werd ontvangen voorafgaand aan het ontstaan van de dienstbetrekking waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan.”

De rechtbank stelt vast dat X en het UWV niet van mening verschillen dat X zijn prepensioen ontvangt vanuit dezelfde dienstbetrekking als die waaruit hij werkloos is geworden. Volgens de rechtbank leidt dit ertoe dat niet wordt voldaan aan de uitzondering van artikel 3:5, zevende lid van het AIB.

Ook het argument van X dat de met ingang van 1 mei 2018 doorgevoerde wijzigingen in het AIB voor het UWV aanleiding had moeten vormen om in zijn geval het prepensioen niet te verrekenen met de WW-uitkering overtuigt de rechtbank niet. X verwijst bij zijn argument naar de volgende passage in de Memorie van Toelichting: “In het zevende lid is een derde uitzondering opgenomen op het vierde lid, onderdeel a. Ouderdomspensioen dat al werd ontvangen voorafgaand aan de dienstbetrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden, wordt niet aangemerkt als inkomen in verband met arbeid. De reden dat dergelijk ouderdomspensioen niet verrekend wordt met de WW-uitkering is dat er in dat geval, anders dan bij de hoofdregel wordt verondersteld, geen aanleiding is geweest voor betrokkene om zich volledig uit het arbeidsproces terug te trekken.”

Volgens X was er voor hem ook geen reden was om zich per 1 januari 2014 uit het arbeidsproces terug te trekken, zodat hij in dezelfde omstandigheden verkeert als waarvoor de uitzonderingsbepaling in het leven is geroepen.

De rechtbank begrijpt de argumenten van X, maar wijst erop dat de door hem geciteerde tekst niet tot uitdrukking komt in de tekst van artikel 3:5, zevende lid van het AIB, die geldt met ingang van 1 mei 2018. Daarbij komt dat dat artikel 3:5 niet voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de wettelijke bepalingen indien toepassing daarvan tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt.

Commentaar

Korting van de WW-uitkering met (pre)pensioenuitkeringen uit dezelfde dienstbetrekking als waaruit men werkloos is geworden is zuur voor de uitkeringsgerechtigde en wordt als onterecht ervaren. Het UWV en de rechter kunnen echter niets anders dan de wet en regelgeving toepassen. En die is daarover duidelijk: korting blijft alleen dan achterwegen als wordt voldaan aan de uitzonderingen die in de wet zijn opgenomen. Bijvoorbeeld omdat het pensioen al is ontstaan voorafgaand aan de dienstbetrekking waaruit iemand werkloos wordt of wanneer de gerechtigde vóór het ontslag al een pensioenuitkering ontvangt uit dezelfde dienstbetrekking waaruit hij werkloos wordt en dat pensioen betrekking heeft op eerder verlies van arbeidsuren uit diezelfde dienstbetrekking (artikel 3.5, vijfde lid AIB). En geen van deze voorwaarden voldoet X.

De CRvB legt deze uitzonderingsregelingen beperkt en letterlijk uit. En daarop lopen veel beroepszaken van WW-gerechtigden vast. Er moet volgens de CRvB sprake zijn van een verlies van arbeidsuren in de laatste dienstbetrekking. Zie ook onze berichten van 17 september 2017 , 10 april 2018 en 7 augustus 2020. Rechtbank Gelderland kan dan ook niet anders dan X in het ongelijk te stellen. Dat dit ongunstige gevolgen heeft voor X biedt de rechter niet de mogelijkheid om de regelgeving buiten toepassing te laten of andere uitzonderingen aan te nemen.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Gelderland, 9 september 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4598

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 12 oktober 2020.