Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Wederzijdse zorg niet relevant voor gehuwden-AOW bij samenwonende broer en zus

Wederzijdse zorg niet relevant voor gehuwden-AOW bij samenwonende broer en zus

20 april 2020

Zus Y met ongehuwden AOW-uitkering neemt gehandicapte broer X in huis. Ook hij ontvangt een ongehuwden AOW-uitkering. Na onderzoek van de Sociale verzekeringsbank zijn beide uitkeringen afgebouwd naar gehuwden AOW-uitkeringen. Broer en zus gaan in hoger beroep.

Is hier sprake van een gezamenlijke huishouding?

Y ontving vanaf 1 juni 2004 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een alleenstaande. Vanaf 10 november 2008 staat X ingeschreven op haar woonadres. X ontving vanaf 3 maart 2014 een ouderdomspensioen op grond van de AOW, eveneens voor een alleenstaande. De Sociale verzekeringsbank (Svb) doet onderzoek naar de samenwoning van X en Y. Hierbij verstrekken X en Y een door hun beiden ondertekende samenlevingsovereenkomst van 23 december 2011. Na het onderzoek besluit de Svb om het pensioen van X en Y via een afbouwregeling te herzien, zodanig dat beiden vanaf 1 januari 2018 recht hebben op een (lager) AOW-pensioen voor een gehuwde. De grondslag voor deze herziening is dat X en Y een gezamenlijke huishouding voeren en daarom als gehuwden worden aangemerkt, aldus de Svb.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) geeft aan dat in de AOW als gehuwd mede wordt aangemerkt: ‘de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij een bloedverwant in de eerste graad betreft.’ Volgens de AOW is er sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Bovendien staat in de AOW dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.

Aangezien X en Y hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, is aan het eerste criterium voor een gezamenlijke huishouding voldaan.

X en Y geven aan dat er bij hen geen sprake is van wederzijdse zorg, omdat Y alleen aan X zorg verleent. Dit is volgens de CRvB niet van belang nu vaststaat dat X en Y zich op grond van het samenlevingscontract van 23 december 2011 wederzijds hebben verplicht tot een bijdrage aan de huishouding. Dat betekent dat hierdoor sprake van het onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in de AOW dat X en Y wel een gezamenlijke huishouding voeren. De gestelde omstandigheid dat feitelijk sprake is van eenzijdige, door Y aan X verleende, zorg kan daar niet aan afdoen, aldus de CRvB.

Ook een verwijzing naar de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1010 waarbij X en Y aanvoeren dat sprake is van een louter zakelijke relatie tussen hen, omdat Y vanaf maart 2012 is benoemd als bewindvoerder van X, slaagt niet. De reden is dat in bovengenoemde zaak aan de orde was dat er geen wederzijdse zorg werd verleend, terwijl bij X en Y de gezamenlijke huishouding voortvloeit uit het feit dat er een samenlevingscontract is opgemaakt. Dat Y daarnaast tot bewindvoerder van X is benoemd doet aan dit rechtsvermoeden niet af, aldus de CRvB.

Commentaar

Y heeft waarschijnlijk met de goede bedoeling om voor hem te zorgen haar gehandicapte broer in huis genomen. Zij is bewindvoerder van haar broer geworden en dacht dat daarmee duidelijk was, dat zij voor haar broer zorgde. En dat ze op grond daarvan recht had op de ongehuwde AOW-uitkering. Zij geeft aan dat er geen sprake is van wederzijds voor elkaar zorgen, maar dat zij alleen voor haar broer zorgt. Doordat beiden een samenlevingscontract hebben opgemaakt en getekend, overigens enkele maanden voordat zij bewindvoerder werd, leidt ertoe dat hier sprake is van een gezamenlijke huishouding. Als zij dat samenlevingscontract niet hadden opgemaakt en getekend, had de beslissing er anders uit kunnen zien. De reden voor het maken van de samenlevingsovereenkomst tussen X en Y blijkt niet uit de uitspraak. Wellicht om fiscale reden? Dat daar dan tegenover staat dat dit gevolgen heeft voor de AOW blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak die wij bespraken in maart 2019.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 20 april 2020

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Centrale Raad van Beroep, 14 april 2020