Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Welke pensioendatum bepaalt einde dienstbetrekking?

7 oktober 2019

A wil doorwerken na haar AOW-leeftijd, tot haar pensioendatum. Volgens haar werkgever eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Maar wat is de pensioengerechtigde leeftijd: de AOW-leeftijd of de pensioenrichtleeftijd uit het pensioenreglement?

Kantonrechter: pensioengerechtigde leeftijd is de AOW-datum

A is geboren in 1952 en werkt sinds 5 oktober 1999 bij werkgever D. In de arbeidsovereenkomst tussen A met D staat onder meer:

“Het dienstverband eindigt in ieder geval van rechtswege, zonder dat hiertoe enige opzegging of mededeling is vereist, op de eerste van de kalendermaand samenvallend met of volgend op de datum waarop werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.”

D schreef A op 23 maart 2018: “The target retirement age was raised from 67 to 68 on 1 January 2018. (...) The government is increasing the target retirement age. We are living longer and also enjoying our pension longer. That costs money. To keep pensions affordable, the government is adjusting the target retirement age to the increasing life expectancy. 68 is now the statutory target retirement age. This is why your retirement date went up, too.”

Op 17 mei 2018 bereikte A de AOW-gerechtigde leeftijd. Volgens D eindigde de arbeidsovereenkomst met A met ingang van 31 mei 2018 van rechtswege in verband met het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd door A. A is het daarmee niet eens. Volgens haar eindigt de dienstbetrekking van rechtswege op 68 jaar. Dit is de pensioenleeftijd die sinds 1 januari 2018 wordt gehanteerd in het Pensioenreglement waarin haar pensioenrechten op grond van de arbeidsovereenkomst zijn vastgelegd.

Omdat A op grond van de bepalingen van het pensioenreglement zelf de ingangsdatum van haar aanvullend pensioen kan kiezen, ligt het volgens de kantonrechter niet voor de hand dat het uitdrukkelijk de bedoeling van partijen is geweest dat het einde van de arbeidsovereenkomst (wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd) afhankelijk was van de wil van één van partijen. Dat geldt volgens de kantonrechter temeer omdat de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd in het pensioenreglement van 67 naar 68 jaar met ingang van 1 januari 2018, anders dan de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, niet stapsgewijs is ingevoerd. De kantonrechter heeft ten slotte overwogen dat uit de overgelegde correspondentie niet volgt dat A is toegezegd dat zij tot 68 jaar zou mogen doorwerken.

Volgens de kantonrechter leidt de uitleg van de arbeidsovereenkomst tot de conclusie dat partijen met de pensioengerechtigde leeftijd hebben bedoeld de – objectief bepaalbare - AOW-gerechtigde leeftijd. A gaat hiertegen in beroep.

Hof: pensioengerechtigde leeftijd is 68 jaar

Het geschil tussen A en D is welke datum bepalend is voor het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst: 31 mei 2018, zijnde de laatste dag van de maand waarin A de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte (standpunt D) of 31 mei 2020, de laatste dag van de maand waarin A de 68-jarige leeftijd zal hebben bereikt (standpunt A).

Net als de kantonrechter vindt het hof dat de vraag wat onder “de pensioengerechtigde” leeftijd moet worden verstaan niet kan worden beantwoord op grond van een alleen maar zuivere taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op wat zij ten opzichte daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij is ook van belang tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van deze partijen kan worden verwacht.

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat met “pensioengerechtigde leeftijd” in de arbeidsovereenkomst de pensioenleeftijd in het pensioenreglement is bedoeld. En niet de AOW-gerechtigde leeftijd. Zij komt als volgt tot dit oordeel.

  1. Uit de stellingen van A en D volgt niet dat partijen bij het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2003 expliciet hebben gesproken over de datum waarop de arbeidsovereenkomst door pensionering zou eindigen. Daaruit moet worden afgeleid dat partijen niet hebben beoogd een verandering te brengen in de op 1 juni 2003 tussen hen bestaande afspraken ter zake van de datum waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen. Op dat moment was de pensioenleeftijd 62 jaar en bestond de mogelijkheid het dienstverband te verlengen in overleg met de werkgever. A heeft een brief overgelegd van het bestuur van D aan alle medewerkers van 11 juli 2001, waarin staat dat er met ingang van 1 januari 2001 een nieuwe pensioenregeling is ingevoerd die van toepassing is op iedereen die op 20 juni 2001 in dienst is, dus ook op A. In de brief worden de belangrijkste punten uiteengezet van de nieuwe regeling, waaronder “Pensioenleeftijd: 62 jaar of nader te bepalen tussen 55 en 62 jaar”. Verder vermeldt de brief onder meer de volgende passages: “Als pensioenrichtleeftijd wordt aangehouden de eerste van de maand waarin de deelnemer 62 jaar wordt.” en “Zoals aangegeven is de pensioenrichtleeftijd gesteld op 62 jaar”. Op 1 januari 2003 werd met “pensioengerechtigde leeftijd” in de arbeidsovereenkomst dus bedoeld de 62-jarige leeftijd.
  2. Bij het tot stand komen van de (tweede) arbeidsovereenkomst tussen A en D (1 januari 2003) was de AOW-leeftijd al gedurende 56 jaar 65 jaar. Het feit dat in de arbeidsovereenkomst niet “65-jarige” of “AOW-gerechtigde” leeftijd is vermeld maar “pensioengerechtigde” leeftijd, laat de mogelijkheid open dat partijen beoogd hebben overeen te komen dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen op een andere dan de AOW-gerechtigde leeftijd.
  3. Weliswaar kan A op grond van de bepalingen van het pensioenreglement zelf de ingangsdatum van haar pensioen kiezen, maar dat betekent, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet dat het einde van de arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd afhankelijk is van de wil van één van partijen. Het pensioenreglement voorziet weliswaar in de mogelijkheid dat de werknemer vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd de arbeidsovereenkomst opzegt en zijn pensioen, vervroegd, laat ingaan. Dat betreft dan evenwel niet het in de arbeidsovereenkomst bedoelde “einde van rechtswege”. De arbeidsovereenkomst eindigt alleen van rechtswege (dus zonder dat opzegging vereist is) op de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer, zoals die uit het pensioenreglement volgt. Die datum kan de werknemer niet zelf kiezen en die datum is dus niet afhankelijk van de wil van A.
  4. Tenslotte moet de vraag beantwoord worden wat de voor A geldende ‘pensioengerechtigde leeftijd’ is op grond van de bepalingen van het pensioenreglement. In het pensioenreglement van april 2013 wordt de pensioeningangsdatum gedefinieerd als “de datum waarop het pensioen in gaat” en de pensioenrichtdatum als “de eerste dag van de kalendermaand waarin de (gewezen) Deelnemer de 65-jarige leeftijd bereikt”. Partijen zijn het er blijkens hun stellingen over eens dat de pensioenleeftijd na 2003 is opgeschoven en dat op grond van het pensioenreglement de pensioengerechtigde leeftijd in 2013 65 jaar was. Dat leidt tot de conclusie dat onder de pensioengerechtigde leeftijd in de arbeidsovereenkomst de pensioenrichtleeftijd in het pensioenreglement moet worden verstaan. Deze is volgens de brief van 23 maart 2017 met ingang van 1 januari 2018 verhoogd van 67 naar 68 jaar.

Volgens het hof heeft A zich dus op goede gronden op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen eerst met ingang van 1 juni 2020 van rechtswege eindigt, zoals voorzien in de arbeidsovereenkomst. De vordering van A tot doorbetaling van loon tot de pensioeningangsdatum wordt toegewezen.

Commentaar

Einde van rechtswege betekent dat het arbeidscontract op een overeengekomen datum eindigt, ook zonder opzegging of aankondiging (art 7:667 BW). Wel moet de werkgever voldoen aan de aanzegplicht wanneer er sprake is van een contract van 6 maanden of langer. Hij moet de werknemer uiterlijk één maand voor de einddatum van het contract schriftelijk laten weten dat hij het contract niet verlengt.

Een arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege als:

  • de duur van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd verstrijkt;
  • een ontbindende voorwaarde intreedt;
  • de werknemer overlijdt; of
  • de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Tenzij schriftelijk anders is overeengekomen, kan de werkgever dus zonder instemming van de werknemer en zonder toestemming van enige instantie de arbeidsovereenkomst met de werknemer opzeggen tegen of na de dag dat de werknemer de AOW-gerechtigde heeft bereikt.

Als het niet of niet correct overeengekomen is, gebeurt dat niet. En daarvan was in de situatie van A en D sprake. In deze casus is D schriftelijk overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de “pensioengerechtigde leeftijd”. En dat is niet altijd de AOW-gerechtigde leeftijd, blijkt uit deze casus. Het hof besliste in deze situatie (anders dan de kantonrechter) dat dit de pensioenrichtleeftijd is.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 7 oktober 2019

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 10 september 2019