Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Welke verzekering is ‘mijn verzekering’ bij kruislings afgesloten overlijdensrisico verzekering?

Welke verzekering is ‘mijn verzekering’ bij kruislings afgesloten overlijdensrisico verzekering?

10 september 2020

Twee echtelieden sluiten kruislings overlijdensrisicoverzekeringen. Na een jaar verzoekt de vrouw ‘haar verzekering’ te beëindigen. Verzekeraar beëindigt daarop de verzekering op het leven van  haar echtgenoot. Na diens overlijden blijkt dat dit niet de bedoeling was. Volgens het KiFiD mocht verzekeraar erop vertrouwen dat de vrouw de verzekering op het leven van haar man wilde beëindigen.

Kruislings afgesloten overlijdensrisicoverzekeringen

X en Y zijn met elkaar getrouwd. Zij sluiten in 1992 ieder een overlijdensrisicoverzekering op het leven van de ander. Een zogenoemde ‘kruislings’ afgesloten verzekering. X was verzekeringnemer van de polis op het leven van Y en vice versa.

In 1993 schrijft Y aan de verzekeraar; “bij deze deel ik u mede dat ik mijn levensverzekering wil beëindigen”. Daarbij verwijst zij naar het polisnummer van de polis op het leven van X.

In 2019 overlijdt X en vraagt Y de verzekeraar het verzekerde kapitaal uit hoofde van de op zijn leven afgesloten verzekering aan haar uit te keren. De verzekeraar weigert dit omdat er volgens hem alleen nog een overlijdensrisicoverzekering op haar leven was.

Y stapt naar het KiFiD omdat de verzekeraar zijn verplichtingen jegens haar niet nakomt en vordert het verzekerde kapitaal.

Y wilde de verzekering op haar leven beëindigen

Y stelt bij het KiFiD dat de verzekeraar in 1993 de verkeerde verzekering heeft beëindigd. Zij licht dat als volgt toe. Bij de aankoop van een eigen huis in 1992 sloten X en Y kruislings een overlijdensrisicoverzekering. In 1993 ging Y bij een bank werken en sloten zij en haar man de lopende hypotheek over naar deze bank op personeelscondities. Onderdeel daarvan was dat Y bij een door de bank aangewezen verzekeraar een overlijdensrisicoverzekering op haar leven afsloot. Daarom was het niet nodig om ook nog een overlijdensrisicoverzekering in stand te houden die voorzag in een uitkering bij haar overlijden. Daarom zegde Y in de brief van november 1993 die verzekering op. Met de verwijzing naar ‘mijn levensverzekering’ bedoelde zij de verzekering op haar leven. Zij haalde daarbij de begrippen ‘verzekeringnemer’ en ‘verzekerde’ door elkaar. Volgens Y had de verzekeraar dit moeten zien en haar uitleg moeten verschaffen over de gevolgen daarvan. De verzekeraar heeft echter ten onrechte de verzekering op het leven van X beëindigd. Door dit te doen hebben er twee overlijdensrisicoverzekeringen gelopen met een verzekerde uitkering bij het overlijden van Y. Dat is volgens Y nooit de bedoeling geweest van haar en haar echtgenoot.

Verweer van de verzekeraar

De verzekeraar stelt de brief van november 1993 duidelijk is en dat hij naar aanleiding van deze brief de verzekering op het leven van X heeft beëindigd. Daarbij heeft hij, gezien het in de brief opgenomen verzoek geen fout gemaakt.

De reden waarom Y de verzekering wilde beëindigen is volgens de verzekeraar voor hem niet relevant. Verzekeraar is een direct writer en was niet op de hoogte van de financiële situatie, de behoefte en de wensen van X en Y. De brief van november 1993 van Y vermeldt duidelijk de verzekering op het leven van X.

KiFiD: verzekeraar mocht vertrouwen op brief van Y

De Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het KiFiD constateert dat de vraag is of de verzekeraar op grond van de brief van Y er in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat het verzoek van Y om de verzekering op haar leven te beëindigen ook overeenstemde met haar wil. De Commissie beantwoordt deze vraag bevestigend. In de brief spreekt Y over “mijn levensverzekering” en noemt vervolgens het bijbehorende, juiste polisnummer waarvan zij de verzekeringnemer was. Volgens de Commissie wordt hiermee onmiskenbaar gedoeld op de verzekering op het leven van X en was er  voor de verzekeraar geen reden om te twijfelen aan de wens van Y. Voor de verzekeraar bestond er geen enkele aanleiding om op grond van de brief van november 1993 de verzekering (met een ander polisnummer) op het leven van Y aan te passen of te wijzigen.
Y  maakte niet aannemelijk dat de verzekeraar ervan op de hoogte was dat Y elders een overlijdensrisicoverzekering op haar leven had afgesloten. Gezien het feit dat de verzekeraar uitsluitend als verzekeraar optrad en niet ook als adviseur, hoefde de verzekeraar dat volgens de Commissie ook niet te weten. Voor zover Y stelt dat dit relevante informatie was, had het volgens de Commissie op haar weg gelegen dat in haar brief van november 1993 te vermelden.

De Commissie concludeert dat niet is komen vast te staan dat de verzekeraar jegens Y toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en wijst de vordering af.

Commentaar

Bij een overeenkomst van levensverzekering zijn er, naast de verzekeraar, drie partijen betrokken. De verzekeringnemer is de contractant met de verzekeraar en als zodanig de eigenaar van de polis. De verzekerde is degene van wiens leven de uitkering afhankelijk is. Hij heeft als zodanig geen rechtstreeks juridische band met de verzekeraar. De begunstigde tenslotte is degene die recht heeft op de verzekerde uitkering. Deze drie hoedanigheden kunnen zijn verenigd in één en dezelfde persoon, maar kunnen ook bestaan uit twee of drie verschillende personen.
In dit geval waren de verzekeringnemer en de verzekerde verschillende personen. Y was verzekeringnemer en begunstigde op de polis waarop X verzekerde was en X was verzekeringnemer en begunstigde op de polis waar Y verzekerde was. Een zeer gebruikelijke constructie omdat op grond van artikel 13 Successiewet (zoals dat ten tijde van het afsluiten van de polissen luidde) er geen erfbelasting verschuldigd is over de uitkering. Er is immers voor de verkrijging van de uitkering niets onttrokken aan het vermogen van de verzekerde. De verzekeringnemer is de premies verschuldigd en betaalt deze vanuit zijn vermogen.
De verzekeringnemer is degene die de rechten uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst mag uitoefenen, zoals het recht om de verzekering te beëindigen. De verzekerde heeft deze rechten niet. In zoverre kón Y de polis op haar leven, waarvan X verzekeringnemer was dus niet (laten) beëindigen. Y sprak over “mijn polis” en verwees naar het polisnummer van de verzekering waarop zij verzekeringnemer en haar man verzekerde was. Dat de verzekeraar dit opvatte als een verzoek om die polis te beëindigen, is niet meer dan logisch. Welk motief Y hiervoor had, is voor de verzekeraar niet van belang en hoeft hij ook niet te onderzoeken. Het inschakelen van een ter zake deskundige adviseur verdient zoals altijd aanbeveling en had deze teleurstelling voor Y kunnen voorkomen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, 26 augustus 2020 nr. 2020-694.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 10 september 2020.