Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Werkgever is gebonden aan pensioenreglement van pensioenfonds.

Werkgever is gebonden aan pensioenreglement van pensioenfonds.

11 maart 2020

Werknemer maakt gebruik van een Regeling partieel uittreden. Hij gaat minder werken met behoud van volledige pensioenopbouw. Fiscaal kan dit alleen als de regeling ingaat maximaal tien jaar voorafgaand aan de pensioengerechtigde leeftijd. Door verhoging van pensioenrichtleeftijd naar 68 voldeed de werknemer niet meer aan deze eis. Werkgever mocht pensioenopbouw herrekenen omdat pensioenreglement daarin voorzag.

Regeling partieel uittreden

Werknemer X maakt op het moment dat hij 55 jaar wordt (in 2015) gebruik van de Regeling partieel uittreden (RPU) voor twee uur per week. Vanaf 2018, als hij 58 is, maakt hij gebruik van de mogelijkheid om zeven uur per week minder te werken. Zijn werkgever legt in beide gevallen een en ander vast in een toekenningsbesluit waarin staat dat het formele aantal werkuren van X niet wordt verminderd en dat alle aan het salaris gerelateerde aanspraken zoals bijvoorbeeld die betreffende de pensioenopbouw gelijk blijven.
Volledige pensioenopbouw bij dergelijke regelingen is fiscaal alleen toegestaan indien de vermindering van het aantal gewerkte uren plaatsvindt maximaal tien jaar voorafgaand aan de pensioengerechtigde leeftijd (artikel 8.7 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011; voorheen artikel 85b).

Doordat de pensioenrichtleeftijd met ingang van 1 januari 2018 werd verhoogd naar 68 jaar, voldeed X per die datum niet meer aan deze voorwaarde. De werkgever paste dan ook een herberekening van de pensioenopbouw toe op basis van het verminderde aantal uren. X was het daar niet mee eens en tekende bezwaar aan. De werkgever wees dit bezwaar af met een verwijzing naar het pensioenreglement van het ABP waaraan hij is gebonden. X gaat tegen deze beslissing in beroep bij de rechtbank. Volgens hem kunnen de bewoordingen uit het toekenningsbesluit uit 2015 op geen enkele andere wijze worden verstaan dan dat hij gedurende de periode dat hij RPU geniet, recht heeft op volledige pensioenopbouw. De bewoordingen zijn evenmin voor meerdere uitleg vatbaar, zodat er in zijn ogen sprake is van; “een schriftelijke, ondubbelzinnige, onvoorwaardelijke, door het bevoegd gezag gedane toezegging, die een gerechtvaardigd vertrouwen heeft opgewekt”.

Rechtbank wijst vordering af, werkgever is gebonden aan pensioenreglement

De rechtbank oordeelt dat de werkgever terecht heeft gesteld dat hij als zodanig is gebonden aan het pensioenreglement van het ABP en de terzake geldende regels. De werkgever heeft volgens de rechtbank geen eigen bevoegdheid waar het gaat om pensioen en pensioenopbouw. De zinsnede in het toekenningsbesluit over het behoud van de volledige pensioenopbouw kan dan ook niet worden aangemerkt als een welbewuste standpuntbepaling over de manier waarop de werkgever ten aanzien van X een bevoegdheid uitoefent. De rechtbank is verder van oordeel dat X als ambtenaar wist of kon weten dat niet de werkgever, maar het ABP over de pensioenopbouw gaat. Dat in het toekenningsbesluit uit 2015 is aangegeven dat X zijn volledige pensioenopbouw behoudt, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niets af. Op het moment dat het toekenningsbesluit werd genomen, was de passage over de pensioenopbouw in lijn met de op dit punt toen geldende wetgeving. X heeft volgens de rechtbank uit deze passage niet mogen afleiden dat zijn werkgever hem ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk een volledige pensioenopbouw tot zijn pensionering had toegezegd ook bij wijziging van de pensioenregelgeving.
X gaf nog aan dat de aanpassing van het pensioenreglement voor hem betekent dat hij over de periode van 1 januari 2018 tot aan zijn pensionering over de twee uren die hij per 1 augustus 2015 minder is gaan werken, pensioenopbouw misloopt. De rechtbank oordeelt dat X op goede gronden heeft besloten dit gemis niet financieel te compenseren. Het pensioenreglement voorziet in de mogelijkheid om vrijwillig bij te dragen aan extra pensioenopbouw. Gelet op het beperkte aantal uren waarover X pensioenopbouw is misgelopen, zou deze mogelijkheid naar het oordeel van de rechtbank een adequate oplossing zijn geweest. 
De kantonrechter verklaart het beroep van X ongegrond.

Commentaar

Bij de invoering van de Wet verhoging AOW en pensioenrichtleeftijd in 2014 werd de VUT afgeschaft, maar werd tevens regelgeving geïntroduceerd op grond waarvan een werknemer 10% minder mocht gaan werken met behoud van pensioenopbouw zonder dat dit als een Regeling voor vervroegde uittreding werd aangemerkt. Al vrij snel werd dit percentage in het kader van het ouderenbeleid na met name aandringen van de ministeries van Onderwijs en van Justitie verhoogd tot 50%. 
De werkgever in dezen was de korpschef van politie. Deze is uiteraard niet bevoegd om de pensioenregeling van het ABP te wijzigen, of daarvan af te wijken. En het ABP heeft er alle belang bij om de door haar uitgevoerde pensioenregeling niet fiscaal bovenmatig te laten worden door hem niet op alle punten aan te passen aan de verhoging van de pensioenrichtleeftijd. Dat die ten tijde van het toekenningsbesluit nog zodanig lager was dat X op dat moment wel aan de voorwaarden voldeed, maakt dat niet anders.

Opvallend is wel de overweging van de rechtbank dat X er voor had kunnen kiezen om vrijwillig extra pensioen op te bouwen en zo zijn pensioenverlies kon beperken. Vrijwillige extra opbouw is alleen mogelijk indien en voor zover daar nog fiscale ruimte voor is. Of dat zo is, vertelt het verhaal niet. Maar, als er op basis van de gewijzigde regelgeving nog fiscale ruimte is, had X zijn pensioenopbouw dus wel ongewijzigd kunnen voortzetten!

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Overijssel, 6 maart 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1035

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 maart 2020.