Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Werkgever moet ingehouden maar niet afgedragen eigen bijdrage van werknemers alsnog aan verzekeraar betalen

26 maart 2018

Een werkgever draagt de ingehouden eigen bijdrage van zijn werknemers in de pensioenpremie niet af aan de pensioenverzekeraar. Rechtbank Midden Nederland veroordeelt hem dit alsnog te doen, met uitzondering van de risicopremies.

Wat was er aan de hand?

X werkt sinds april 1997 bij werkgever Y en is deelnemer in de pensioenregeling van Y. De regeling is een beschikbare premieregeling op basis van de premiestaffels. De eigen bijdrage van X bedraagt 50% van de staffelpremie. Y houdt deze bijdrage in op het salaris van X. 

Y droeg de verschuldigde pensioenpremies over de periode 1 januari 2013 tot 1 januari 2017 niet af aan de verzekeraar. Hij hield in die periode wel de bijdrage van X in op diens salaris. De verzekeraar maakte de pensioenverzekering in 2014 premievrij in verband met de premieachterstand. Daarbij vervielen de dekkingen voor het arbeidsongeschiktheidsrisico en overlijdensrisico.

X stelt bij de rechtbank Midden-Nederland dat Y jegens haar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst door de verschuldigde premies onbetaald te laten en dat zij daardoor schade heeft geleden.

Verweer van de werkgever

Y voert als verweer dat zij als gevolg van haar deplorabele financiële toestand niet in staat was aan haar pensioenverplichting te voldoen. Er was volgens Y sprake van een in overleg met het personeel (waaronder X) genomen beslissing om de pensioenafdracht te staken ter voorkoming van een faillissement van Y. Daarbij zegde Y toe tot reparatie daarvan over te zullen gaan zodra het bedrijf in rustiger vaarwater zou zijn gekomen. Het was uitstel en geen afstel. Dit heeft per 1 januari 2017 geleid tot een nieuwe pensioenvoorziening bij een andere pensioenuitvoerder, waarmee de contractuele rechten van X voor de toekomst veilig zijn gesteld. Inmiddels is er financiële ruimte om ook de inhaalslag te maken. Y verwijst daarbij naar een brief van haar adviseur waarin deze schrijft dat partijen het eerst eens moeten worden over de hoogte van de geleden pensioenschade waarna nog getoetst moet worden of er voldoende fiscale ruimte is om het gemis aan pensioenpremies aan te wenden voor extra pensioenkapitaal bij de nieuwe pensioenverzekeraar.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter constateert allereerst dat de deplorabele financiële toestand van Y haar niet onstslaat van de met X overeengekomen verplichtingen, noch een reden vormt tot opschorting daarvan. Dit verweer baat Y dus niet.

Verder geeft de kantorechter aan dat hij het verweer van Y zo begrijpt, dat Y van mening is dat de vordering van X door de nadere afspraak nog niet opeisbaar is en en dat X de tijd moet gunnen aan Y om een oplossing voor de geleden pensioenschade te bieden. Ook dit baat Y volgens de kantonrechter niet. Zelfs in het geval dat het gestelde uitstel van afdracht van pensioenpremie met het personeel was afgestemd ter afwending van een faillissement (hetgeen X overigens betwist), volgt hieruit niet dat het personeel een dergelijk uitstel tot in lengte van jaren zou moeten gedogen.

De kantonrechter vindt dat X geen aanspraak heeft op een vergoeding wegens misgelopen van rendement over de premies voor de Anw-hiaat verzekering en de nabestaandenpensioenverzekering. Dit zijn risicoverzekeringen en het kenmerk daarvan is dat daarin geen waardeopbouw plaatsvindt. Van gemist rendement over dit deel van de premies is dus geen sprake. Hij veroordeelt Y om binnen tien dagen na het vonnis een offerte te vragen aan de oude of de nieuwe pensioenuitvoerder voor de inkoop van pensioenkapitaal tot het door X gestelde bedrag van € 10.777,81 vermeerder met 7,36% rendement per jaar tot de stortingsdatum.

Commentaar

Betalingsonmacht kan een reden zijn om de betaling van pensioenpremies te verminderen of te beëindigen. Op grond van artikel 12 Pensioenwet moet deze bevoegdheid dan wel zijn opgenomen in de pensioenovereenkomst en moet sprake zijn van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. Daarnaast ziet deze bepaling alleen op de bijdrage van de werkgever.

Ook kan de pensioenovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 Pensioenwet bevatten. In dat geval kan een werkgever de pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer wijzigen indien sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging wordt geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

Het verschil tussen deze twee bepalingen is dat een beroep op artikel 19 Pensioenwet leidt tot het aanpassen van de toekomstige opbouw van pensioenaanspraken en een beroep op artikel 12 Pensioenwet leidt tot het verminderen van de financiering van de toegezegde aanspraken.

Y deed kennelijk een beroep op artikel 12 Pensioenwet. Op grond daarvan mag hij de betaling van de werkgeversbijdrage verminderen of zelfs helemaal stoppen. Maar dat geldt niet voor de bijdrage van de werknemer. Het wel inhouden, maar niet afdragen van de eigen bijdrage is terecht door de kantonrechter als onrechtmatig beoordeeld.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Midden-Nederland 28 februari 2018.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 26 maart 2018.