Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Werkgever niet verplicht toeslagverlening BPF te volgen.

16 mei 2018

Werknemer neemt deel in de aanvullende collectieve pensioenverzekering van zijn werkgever, die overeenkomt met het reglement van het BPF Metaalnijverheid. Omdat geen sprake is van dispensatie van de verplichte deelname hoeft zijn werkgever ter zake van het aanvullende pensioen niet steeds het toeslagenbeleid van het BPF te volgen.

Pensioenregeling conform BPF Metaalnijverheid

X was in dienst bij werkgever Y. In zijn arbeidsovereenkomst was ter zake van pensioen het volgende opgenomen: “Werknemer zal als deelnemer toetreden tot de collectieve pensioenregeling bij verzekeraar Z, welke verzekering overeenkomt met het reglement van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid. Voor het voor werknemer geldende gedeelte van zijn pensioengrondslag dat boven de voor het BPF maximum pensioengrondslag uitgaat, is hij deelnemer aan de aanvullende collectieve pensioenregeling tussen Y en Z.”

Bij zijn indiensttreding kreeg X van Y een omschrijving van de pensioenregeling uitgereikt. Daarin stond onder andere: “Zoals uit het onderstaande blijkt, komt de pensioenregeling van ons bedrijf overeen met die van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid; het Bedrijfspensioenfonds heeft een reglement, waarin alles geregeld is. Wie een gedetailleerd probleem heeft kan het pensioenreglement van het Bedrijfspensioenfonds raadplegen, dat op ons kantoor ter inzage ligt.”

Y stelde een “Omschrijving en Samenvatting van de Standaard-pensioenregeling” en een “Pensioenreglement voor de aanvullende pensioenregeling” op.

De Omschrijving en Samenvatting van de Standaard-pensioenregeling bepaalt: “De aanspraken welke de deelnemer aan onze pensioenregeling ontleent zijn gelijk aan de aanspraken die hij bij het Bedrijfspensioenfonds zou hebben gekregen indien hij gedurende zijn dienstverband zou hebben deelgenomen aan de regeling van het Bedrijfspensioenfonds.
Ingegane pensioenen zullen jaarlijks met een zeker percentage worden verhoogd, in dezelfde mate als waarin het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid daartoe overgaat.”

Het Pensioenreglement voor de aanvullende pensioenregeling bepaalt: “De werkgever zal, aan de hand van enerzijds de gevormde middelen en anderzijds de inflatie, periodiek bezien of er toeslagen kunnen en moeten worden verleend op de na de inwerkingtreding van dit reglement ingegane pensioenen. De werkgever zal zich hierbij laten leiden door de stijging de het Bedrijfstakpensioenfonds c.q. de Standaard-pensioenregeling vaststelt voor de uit hoofde van haar pensioenregeling ingegane pensioenen.”

X gaat met pensioen, geen regelmatige verhoging aanvullend pensioen

X gaat op 1 augustus 193 op 60-jarige leeftijd uit dienst. Zijn aanvullende pensioen is alleen per 1 januari 1996 en per 1 januari 1998 verhoogd. In januari 2008 schrijft X aan de verzekeraar een brief waarin hij stelt dat is nagelaten zijn aanvullende pensioen met enige regelmaat te indexeren.  Hij verzoekt om nabetaling van het aanvullende pensioen wegens de alsnog toe te kennen indexering vanaf 1 augustus 1993. De verzekeraar antwoordt dat zij geen acties ter financiering van pensioenaanspraken van (gewezen) deelnemers zal initiëren, omdat deze afspraken zijn vastgelegd in de pensioenregeling van Y.

X wendt zich vervolgens via zijn gemachtigde tot Y en sommeert Y om in overleg te treden met de verzekeraar, zodat ook de aanvullende aanspraken over alle jaren zouden worden aangepast en gefinancierd. Het ‘HR Shared Service Center’ van Y schrijft terug dat in het pensioenreglement voor de aanvullende pensioenregeling een voorwaardelijke indexatie is vermeld, afhankelijk van de gevormde middelen en inflatie en dat het aan de werkgever is of wel of niet indexatie wordt toegekend.

Kantonrechter verklaart X niet ontvankelijk

X dagvaart Y voor de rechtbank Oost-Brabant. Hij vordert onder meer dat de rechtbank voor recht verklaart dat Y voor zowel het basispensioen als het aanvullende pensioen het toeslagenbeleid van het BPF dient te volgend en in overeenstemming hiermee de indexering van de aanspraken dient te hervatten, zodra het BPF daar op enig moment toe overgaat.

De kantonrechter verklaart X niet ontvankleijk in zijn vordering omdat X zijn bezwaren tegen het niet toepassen van de indexering binnen vijf jaren na het einde van zijn dienstverband (1 augustus 1993) naar voren had moeten brengen en dit heeft hij niet gedaan.

X gaat in beroep, maar heeft geen succes

X gaat in beroep bij het Hof Den Bosch. Hij voert aan dat hij pas na zijn uitdiensttreding heeft gemerkt dat de toeslagen die door het BPF Metaalnijverheid werden verleend, alleen nog op zijn basispensioen werden toegepast. Hij heeft Y hierop attent gemaakt in 1995 via de verzekeraar, in 2003 via haar intermediair en van 2003 tot en met 2006 via haar gevolmachtigde.

Hij stelt verder dat sprake is van dispensatie van de verplichting om de pensioenregeling voor directie- en stafleden onder te brengen bij het BPF onder de voorwaarde dat over het gehele pensioengevende salaris ook het toeslagenbeleid van het BPF diende te worden gevolgd.

Tenslotte stelt hij dat Y heeft gekozen voor gelijkwaardigheid tussen de pensioenregelingen van het BPF en haar pensioenregeling bij de verzekeraar en dat de dispensatie die zij hiervoor heeft verkregen ook is verleend onder de voorwaarde dat de eigen regeling bij de verzekeraar ten minste gelijkwaardig zou zijn aan de pensioenregeling van het BPF. Verder is volgens X van belang dat in de pensioenomschrijving is verwezen naar de regeling van het BPF, zonder een onderscheid te maken tussen het standaard en het aanvullende pensioen.

Het hof stelt vast dat het BPF per e-mail aan Y aangaf dat Y niet onder de verplichtstelling van het BPF viel. Volgens het hof kan dus geen sprake zijn van dispensatie zoals X betoogde.

De arbeidsovereenkomst maakte een onderscheid tussen een collectieve pensioenregeling bij de verzekeraar die overeenkomt met het reglement van het BPF en een aanvullende collectieve pensioenverzekering bij de verzekeraar waarvoor niet is bepaald dat het reglement van het BPF moet worden gevolgd.

Het hof volgt Y in haar uitleg van het aanvullende pensioenreglement dat sprake is van een voorwaardelijke indexatie. Afhankelijk van de gevormde middelen en inflatie kon tot indexatie worden besloten en in dat geval kon voor wat betreft de hoogte van de indexatie aansluiting worden gezocht bij het BPF.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de vorderingen van X moeten worden afgewezen. De vraag of de vorderingen van X zijn verjaard kan daarom volgens het hof in het midden blijven. De kantonrechter verklaarde X niet ontvankelijk in zijn vordering. Het hof oordeelt dat ook als het beroep op verjaring niet terecht zou zijn gedaan, de vorderingen van X dan nog hadden moeten worden afgewezen. Het hof vernietigt daarom het bestreden vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering af.

Commentaar

Werkgevers die onder de werkingssfeer van een verplicht gesteld Bedrijfstakpensioenfonds vallen, kunnen onder voorwaarden dispensatie krijgen. Veelal is dan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een aan de regeling van het BPF identieke, of ten minste gelijkwaardige regeling. Voor zijn indexaties beriep X zich hierop. Maar kennelijk was er in dit geval geen sprake van een verplichte deelname in het BPF, waardoor deze eisen niet waren gesteld. In dat geval is het pensioenreglement leidend en daarin was sprake van een voorwaardelijke indexatie. Dat de verzekeraar het verzoek van X afwees, is daarom niet verbazingwekkend. De verzekeraar verhoogt het pensioen alleen en voor zover hij daarvoor de benodigde middelen krijgt. De werkgever kon voor de aanvullende pensioenregeling zelfstandig beslissen of hij een toeslag wilde toekennen, die afhankelijk was van de beschikbare middelen en de inflatie. Hij was daarbij niet verplicht het BPF te volgen.

Pikant detail is nog dat het hof concludeert dat X de verkeerde vennootschap aansprak. Door een groot aantal naamswijzigingen raakte X kennelijk het spoor bijster en dagvaardde hij de moedermaatschappij van zijn voormalige werkgever. Naar het oordeel van het hof stelde X onvoldoende feiten en omstandigheden op grond waarvan kon worden geoordeeld dat hij op grond van de door Y opgewekte schijn ervan uit mocht gaan dat zij de door hem in rechte aan te spreken wederpartij was. Ook hier ving X dus bot. Wat hem rest is de rekening voor de proceskosten waarin het hof hem veroordeeld ter grootte van ruim € 4.500.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Bosch, 8 mei 2018.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 15 mei 2018.