Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Nota naar aanleiding van het verslag wetsvoorstel Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen naar de Tweede Kamer

Nota naar aanleiding van het verslag wetsvoorstel Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen naar de Tweede Kamer

12 oktober 2020

Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stuurde op 8 oktober 2020 de Nota naar aanleiding van het verslag over het wetsvoorstel Wet bedrag in eens, RVU en verlofsparen naar de Tweede Kamer. Hierin gaat hij in op de vele, soms zeer gedetailleerde vragen die de Tweede Kamerfracties stelden. In dit nieuwsbericht pikken we de belangrijkste eruit. Het voert te ver om het 50 pagina’s tellende document in zijn geheel te bespreken.

Waarom een gedeeltelijke afkoopmogelijkheid?

De leden van de CDA-fractie stelden de gedeeltelijke afkoopmogelijke ten principale ter discussie. Zij vinden dat het sparen voor het pensioen op een gereguleerde wijze per definitie een beschermingsfunctie kent. Door een tiende deel van het pensioen alvast uit te keren, wordt de beschermingsfunctie van het pensioen aangetast en dat schaadt het fundament van het pensioenstelsel. Zij vragen waarom niet 10% minder pensioen wordt opgebouwd als die 10% - die gebruikt wordt voor bedrag ineens – niet nodig zou zijn voor het levenslange pensioen.

De regering antwoordt hierop dat zij de levenslange annuïteit niet als iets negatiefs ziet. Een levenslange annuïteit blijft het uitgangspunt. In het wetsvoorstel zijn verschillende voorwaarden opgenomen om de deelnemer te beschermen tegen een te grote achteruitgang in de hoogte van de levenslange periodieke uitkering om zoveel mogelijk te borgen dat een pensioengerechtigde ook na opname van een bedrag ineens voldoende inkomen behoudt om de levensstandaard vast te houden. Het is hierbij volgens de regering van belang op te merken dat de standaardoptie inhoudt dat de deelnemer zijn volledige pensioen in de vorm van levenslange uitkeringen ontvangt. Het bedrag ineens is vormgegeven als keuzerecht, als een deelnemer niet in actie komt dan heeft dat geen automatische afkoop tot gevolg. Daarmee wordt aan de deelnemer die geen keuze maakt geen bedrag ineens opgedrongen. Bovendien is het keuzerecht zo vormgegeven dat het een recht voor de deelnemer is, hetgeen betekent dat het een vrijwillige keuze is voor de deelnemer om 10% of minder in een keer op te nemen. Of het opnemen van een bedrag ineens wenselijk is, is afhankelijk van de individuele situatie en aan de deelnemer om te beoordelen. Gelet op het bovenstaande kan volgens de regering daarmee dus niet worden verondersteld dat door een deelnemer 10% te veel pensioen wordt opgebouwd.

Invloed op inkomensafhankelijke regelingen

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de gevolgen van het keuzerecht voor deelnemers met een laag inkomen omdat zij hierdoor hun recht op inkomensafhankelijke regelingen, al dan niet tijdelijk, kunnen verliezen.

De regering geeft aan dat mogelijke gevolgen van het keuzerecht voor deelnemers met een laag inkomen een belangrijk aspect is om rekening mee te houden bij de overweging om al dan niet gebruik te maken van het keuzerecht. Derhalve is ook een goede informatievoorziening vanuit de pensioenuitvoerder van belang. Pensioenuitvoerders hebben de verplichting om deelnemers conform de normen uit de Pensioenwet correct, duidelijk en evenwichtig te informeren over de keuzemogelijkheden die de pensioenregeling biedt.

De regering koos er bewust niet voor om voor de opname van een bedrag ineens een uitzondering op te nemen voor het bepalen van het toetsingsinkomen. In lijn met de reeds bestaande keuzemogelijkheden rondom pensioeningang, zoals de keuze voor een hoog-laagpensioen, wordt ook het bedrag ineens als pensioenuitkering beschouwd en gelijkgesteld met inkomsten uit arbeid. Daarbij past volgens de regering dat het bedrag ineens hoort tot het toetsingsinkomen voor de toekenning van inkomensafhankelijke regelingen. De uitzondering die is gemaakt voor de afkoop van een klein pensioen hangt samen met het karakter van deze afkoop. Het initiatief voor de afkoop van een klein pensioen ligt immers bij de pensioenuitvoerder, vanwege de onevenredig hoge uitvoeringskosten voor kleine pensioenen. Kenmerkend voor de opname van een bedrag ineens is het vrijwillige karakter van deze gedeeltelijke afkoop. Het fundamentele verschil is dat aan de opname van een bedrag ineens, net zoals bij de afspraak over een hoog-laagpensioen, een bewuste keuze en initiatief van een deelnemer aan vooraf is gegaan, terwijl het initiatief dat bij een afkoop van een klein pensioen juist niet bij de deelnemer ligt. De regering acht dat verschil voldoende evident om voor de opname van een bedrag ineens geen uitzondering op te nemen bij het bepalen van het toetsingsinkomen voor toeslagen of andere inkomensafhankelijke regelingen.

Alleen op pensioeningangsdatum

In antwoord op vragen van de D66-fractie geeft de regering aan dat in het wetsvoorstel als voorwaarde voor het gebruikmaken van het keuzerecht is opgenomen dat de opname van een bedrag ineens op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen moet plaatsvinden. Dit betekent dat het bedrag ineens in beginsel slechts op één moment, bij het ingaan van de uitkeringsfase, tot uitbetaling kan komen. Het opnemen van een bedrag ineens tijdens de uitkeringsfase is niet toegestaan. Hiermee wordt volgens de regering gewaarborgd dat de solidariteit binnen een pensioenfonds zo min mogelijk onder druk komt te staan, doordat op deze wijze selectie-effecten (met name in verband met gezondheid) worden beperkt. Daarnaast leidt het bieden van het keuzerecht bedrag ineens tijdens de uitkeringsfase tot een toename van de complexiteit en administratieve lasten, onder meer omdat dit een herrekening van de periodieke pensioenuitkering vereist. Uitgangspunt is dat vanaf het moment van inwerkingtreding van het keuzerecht (beoogd 1 januari 2022) de deelnemer die aan de voorwaarden voldoet, gebruik kan maken van het keuzerecht. Dit betekent dat het keuzerecht openstaat voor deelnemers die vanaf het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel pensioengerechtigde worden. Pensioengerechtigde is op grond van de definitie in artikel 1 Pensioenwet de persoon voor wie op grond van een pensioenovereenkomst het pensioen is ingegaan. Dit brengt ook met zich dat mensen die nu (en op het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel) reeds pensioengerechtigd zijn, geen gebruik kunnen maken van het keuzerecht, zoals D66 bepleitte.

Geen samenloop met hoog-laag

De regering vindt het verstandig om stapeling van het hoog-laagpensioen en bedrag ineens uit te sluiten. De belangrijkste reden om stapeling van deze twee keuzemogelijkheden uit te sluiten is het voorkomen dat een deelnemer een te groot gedeelte van het ouderdomspensioen naar voren haalt en daarmee een te grote achteruitgang in de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering heeft.

Ook voor tijdelijk ouderdomspensioen, prepensioen en deeltijdpensioen

In antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie geeft de regering aan dat het recht op het opnemen van een bedrag ineens betrekking heeft op alle vormen van ouderdomspensioen. Gedeeltelijke afkoop kan dus ook plaatsvinden over de waarde van de aanspraken op tijdelijk ouderdomspensioen en prepensioen.

Het keuzerecht geldt in het geval van deeltijdpensionering alleen voor het pensioenvermogen dat gereserveerd is voor de ingaande pensioenuitkering. De deelnemer die voor 40% met deeltijdpensioen gaat kan dan maximaal 10% van de 40% van zijn pensioenvermogen afkopen. Als hij vervolgens volledig met pensioen gaat, kan hij over de resterende 60% wederom tot maximaal 10% afkopen.

Geen aanpassing Wft

De leden van de VVD-fractie vroegen naar de mogelijkheden om de Wet op het financieel toezicht (Wft) aan te passen, zodat pensioenuitvoerders persoonlijk advies bij keuzemogelijkheden kunnen geven. De regering vindt aanpassen van de Wft niet passend omdat advies in de zin van de Wft ziet op het aanbevelen van een of meer specifieke financiële producten. Een pensioenuitvoerder beveelt niet een specifiek financieel product aan, maar moet ervoor zorgen dat de deelnemer een weloverwogen keuze kan maken uit hoofde van de pensioenregeling.

Onderzoek na 45 jaar met pensioen in volle gang en afgerond in december 2020

Zoals afgesproken in het pensioenakkoord onderzoeken het kabinet en sociale partners of het mogelijk is om het moment van uittreden onder voorwaarden te koppelen aan het aantal dienstjaren, bijvoorbeeld 45. Het onderzoek is in volle gang en complex. Op dit moment wordt onderzocht wat mogelijke juridisch en uitvoeringstechnische implicaties zijn van de verschillende scenario’s. Daarnaast kijkt het CBS op basis van diverse gegevensbestanden of iets is te zeggen over de samenstelling en omvang van een mogelijke doelgroep. Voorts moeten de arbeidsmarktgevolgen en budgettaire effecten in kaart worden gebracht. Het kabinet heeft de ambitie het onderzoek naar deze complexe materie in december 2020 af te ronden.

Geen omzetting levensloopsaldo in verlofsparen

De overgangsregeling voor de levensloopregeling loopt af in 2021. Het kabinet acht het niet wenselijk het mogelijk te maken het levensloopsaldo te converteren naar verlofsparen. De levensloopregeling was primair bedoeld om een voorziening in geld te sparen voor de opname van verlof in het ‘spitsuur van het leven’. De uitbreiding van het verlofsparen is echter primair bedoeld om vervroegd uittreden te faciliteren. Bij de mogelijkheid van het vervroegd uittreden wordt met name ook gedacht aan de situatie van werknemers die hun beroep als zwaar ervaren. Onregelmatig werk of het werken in ploegendiensten geeft een zwaardere belasting en kan daardoor tot een verminderde duurzame inzetbaarheid leiden. Via extra verlofopbouw kan dit worden gecompenseerd. Het past niet bij de doelstelling voor de uitbreiding van verlofsparen, die gericht is op vervroegd uittreden, waarbij vooral gedacht wordt aan de situatie van werknemers in zware beroepen, om het mogelijk te maken het levenslooptegoed, wat een meer generiek karakter heeft, om te zetten in verlofsparen.

Commentaar

Minister Koolmees beantwoordt in deze nota veel en soms zeer kritische vragen over het wetsvoorstel Wet bedrag in eens, RVU en verlofsparen. Wij bespraken dit wetsvoorstel in ons nieuwsbericht van 7 september 2020. Koolmees verwijst een aantal keren naar (de uitwerking van) het pensioenakkoord waarvan deze drie voorstellen deel uitmaken en waarover dus na lang onderhandelen overeenstemming is bereikt met de sociale partners. Wij verwachten dan ook niet dat er veel politieke ruimte is voor wijzigingen.

Bron: Nota naar aanleiding van het verslag over wetsvoorstel Wet bedrag in eens, RVU en verlofsparen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 12 oktober 2020.