Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Wet uitfasering PEB; onbepaald verzekerd deel (2)

23 maart 2017

Leden van de Eerste Kamer zetten vraagtekens bij de door Wiebes verplichte gestelde omzetting van een ‘onbepaald verzekerde deel’ in een ‘bepaald verzekerde deel’.

Onbepaald verzekerd deel

Bij een onbepaald verzekerd deel zegt de werkgever-BV aan de DGA een pensioen toe op basis van een salarisdiensttijdregeling. Volgens de pensioenbrief houdt de BV de aanspraken in eigen beheer voor zover deze niet zijn verzekerd. Als in de pensioenbrief staat dat de BV de verzekerde aanspraak aanvult tot het toegezegde salarisdiensttijd-niveau, is sprake van een onbepaald verzekerd deel. In dat geval is volgens de brief van de Belastingdienst van 16 april 2004 sprake van een pensioenregeling die de BV in eigen beheer houdt.

Wiebes: onbepaald wordt bepaald verzekerd

In zijn brief van 10 februari 2017 aan de Eerste Kamer stelt staatssecretaris Wiebes dat na de inwerkingtreding van de Wet uitfaseren pensioen in eigen beheer (PEB) alleen nog sprake kan zijn van een bepaald verzekerd deel en niet langer van een onbepaald verzekerd deel. Zie ons bericht van 16 februari 2017. De leden van de VVD en CDA twijfelen eraan of het standpunt van Wiebes juridisch juist is.

Vragen Eerste Kamer over onbepaald verzekerd deel

Op grond van de Wet uitfaseren PEB staakt de BV uiterlijk vóór 1 juli 2017 de verdere opbouw van de pensioenaanspraken. Met betrekking tot de pensioenverzekeringen zijn er dan twee mogelijkheden:

  • 1. De BV staakt ook de premiebetaling;
  • 2. De BV zet de premiebetaling voort.

 

In beide situaties is sprake van premievrije pensioenaanspraken omdat niet langer nieuwe pensioenaanspraken worden opgebouwd. Voor zover deze aanspraken niet zijn verzekerd houdt de BV deze in eigen beheer. Er is dus geen sprake meer van voortgezette pensioenopbouw in eigen beheer ten behoeve van de DGA.

Volgens de vragenstellers wijzigt hierdoor de pensioenovereenkomst tussen de BV en de DGA niet maar slechts de omvang van de pensioenrechten. Er is dus nog steeds sprake van één pensioenregeling die de BV in eigen beheer houdt en waarvan een onbepaald deel is verzekerd.

De vragenstellers vroegen Wiebes of de conclusie juist is dat - in geval van voortzetting van de premiebetaling op het onbepaald verzekerd deel - het enige effect is, dat de voorziening op de balans van de BV jaarlijks afneemt met het bedrag waarmee het elders verzekerde kapitaal toeneemt.

 

Ook vroegen zij of de conclusie juist is dat de premievrije aanspraken van de DGA in de situaties 1 en 2 in zijn geheel zijn opgebouwd vóór 1 juli 2017 en dus in hun geheel onder de overgangsregeling vallen. En dat daardoor de aanpassing van de pensioenovereenkomst tussen DGA en BV (behoudens het staken van de verdere opbouw) dan ook niet noodzakelijk is.

Verder vroegen zij waarop de staatssecretaris de eis baseert dat: “de inhoud van de pensioenregeling zodanig moet worden aangepast dat geen overgang van de elders verzekerde pensioenaanspraak naar een eigenbeheerlichaam kan plaatsvinden na het verlopen van de coulancetermijn.” De BV is immers op grond van de overgangsregeling nog steeds een toegelaten verzekeraar voor de pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór 1 juli 2017.
In de optiek van de vragenstellers is bij overdracht van pensioenkapitaal door de verzekeraar geen sprake van het overgaan van een pensioenverplichting maar uitsluitend van de overgang van de verplichtingen die de verzekeraar heeft uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst. De verplichtingen van de pensioenregeling die de BV heeft getroffen met de DGA zitten immers al volledig bij de BV en zijn uiterlijk vóór 1 juli 2017 gefixeerd.

Omdat in de praktijk onduidelijkheid blijkt te bestaan verzoeken de vragenstellers Wiebes om over deze kwestie op korte termijn in overleg te gaan met het Verbond van Verzekeraars.

Commentaar

In eerdere berichten gaven wij al aan dat we het niet eens zijn met de eis van de staatssecretaris dat een onbepaald verzekerde pensioen moet worden omgezet naar een bepaald verzekerd deel en dat partijen daardoor de pensioenbrief moeten aanpassen. Deze eis is logisch als de DGA het pensioen in eigen beheer afkoopt of omzet in een ODV. Immers in dat geval kan er geen sprake meer zijn van een onbepaald verzekerd deel. Het is ook logisch als de opbouw van de pensioenaanspraken wordt voortgezet door de pensioenverzekering te verhogen. Maar in het geval dat de DGA ervoor kiest om de verdere opbouw van het pensioen te staken verandert er – behoudens het stoppen van de opbouw – niets in de rechtsbetrekking tussen de BV en de DGA. De opgebouwde aanspraken vallen in dat geval onder het overgangsrecht. Volgens het nieuwe artikel 38n, eerste lid van de Wet op de loonbelasting blijft voor aanspraken die bestaan op 30 juni 2017 de regelgeving gelden die op 31 december 2016 in de Wet was opgenomen. Volgens de brief van de Belastingdienst van 16 april 2004 voldoet een pensioenregeling, die de BV in eigen beheer houdt en waarvan een onbepaald deel is verzekerd, aan deze regelgeving. Alleen al op basis van deze bepaling kan de overdracht van verzekerd pensioenkapitaal naar de BV naar onze mening ook na 30 juni 2017 nog fiscaal geruisloos plaatsvinden.

Wij zijn benieuwd naar de antwoorden van de staatssecretaris op de door de leden van de VVD en CDA gestelde vragen.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Brief Eerste Kamer aan de Staatssecretaris van Financiën, d.d. 16 maart 2017

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 22 maart 2017