Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Wet uitfasering PEB; onbepaald verzekerd deel (3)

18 april 2017

Staatssecretaris Wiebes geeft antwoord op de vragen die leden van de Eerste Kamer stelden over het onbepaald verzekerde deel in het kader van de Wet uitfasering PEB.

Onbepaald verzekerd deel

Bij een onbepaald verzekerd deel zegt de werkgever-BV een pensioen toe aan de DGA op basis van een eind- of middelloon regeling. Volgens de pensioenbrief houdt de BV de aanspraken in eigen beheer voor zover deze niet zijn verzekerd. Als in de pensioenbrief staat dat de BV de verzekerde aanspraak aanvult tot het toegezegde salarisdiensttijd-niveau, is er sprake van een onbepaald verzekerd deel. De Belastingdienst schreef in haar brief van 16 april 2004 dat de BV in deze situatie het pensioen in eigen beheer houdt.

Wiebes: pensioenovereenkomst aanpassen en overdracht pensioenkapitaal na 1 juli niet mogelijk

Op grond van de Wet uitfaseren PEB moet de BV uiterlijk vóór 1 juli 2017 de verdere opbouw van de pensioenaanspraken staken. Wanneer er bij PEB sprake is van een onbepaald verzekerd deel, dan zijn er voor de pensioenverzekeringen twee mogelijkheden:

  1. De BV staakt ook de premiebetaling; of
  2. De BV zet de premiebetaling voort.

 

Volgens de staatssecretaris is in beide situaties aanpassing van de pensioenovereenkomst nodig. Hierin moeten partijen vastleggen dat geen verdere pensioenopbouw meer plaatsvindt bij de BV. Wat er met het elders verzekerde deel gebeurt, is ter keuze aan de DGA. Hij kan ervoor kiezen de uitvoering van dat deel bij de externe verzekeraar te laten, maar hij kan er ook voor kiezen de uitvoering vóór 1 juli 2017 over te laten gaan naar de BV.

Wanneer de BV de premiebetaling voor de pensioenverzekering staakt kan er nog steeds sprake zijn van een eindloon- of middelloonregeling zoals bedoeld door de Belastingdienst in zijn brief van 16 april 2004 (PEB en een onbepaald verzekerd deel). Bij een onbepaald verzekerd deel moet de BV het te ontvangen pensioen van de professionele verzekeringsmaatschappij verplicht aanvullen tot het door de BV toegezegde pensioen. Volgens de staatssecretaris moeten partijen in dat geval  in de pensioenovereenkomst opnemen dat de aanvulling door de BV nooit meer mag zijn dan nodig is voor het voldoen aan de verplichting die de BV op 1 juli 2017 had.

Als partijen de premiebetaling voortzetten (situatie 2) is er nog steeds sprake van een pensioenregeling in eigen beheer met een onbepaald verzekerd deel (eindloon- of middelloonregeling zoals bedoeld in de brief van de Belastingdienst van 16 april 2004). In dat geval kan inderdaad sprake zijn van een afnemende verplichting van de BV tegenover de DGA. Maar ook in dit geval moeten partijen, volgens de staatssecretaris, in de pensioenovereenkomst opnemen dat de aanvulling van de BV nooit meer mag bedragen dan nodig is om te voldoen aan de uiterlijk op 1 juli 2017 bestaande verplichting voor het PEB.

Volgens de staatssecretaris kan een uitkering van het verzekerde kapitaal na 1 juli 2017 aan de BV niet meer fiscaal geruisloos voor de DGA plaatsvinden. Dat geldt ook voor het onbepaalde verzekerde deel. Als de verzekeraar na 1 juli 2017 het pensioenkapitaal uitkeert aan de BV neemt de BV, volgens de staatssecretaris, op dat moment een extra pensioenverplichting op zich tegen de ontvangst van de overdrachtswaarde.

Gezien de voorbereiding van het wetsvoorstel en het belang van verzekeraars vindt de staatssecretaris het niet nodig om het door de vragenstellers gevraagde overleg met het Verbond van Verzekeraars aan te gaan.

Commentaar

In ons bericht van 16 februari 2017 en ons bericht van 23 maart 2017 bespraken wij pensioen in eigen beheer (PEB) en het onbepaald verzekerde deel. Er was discussie over de vraag of de pensioenovereenkomst moest worden aangepast en of het onbepaald verzekerde deel na 1 juli 2017 kan worden overgedragen aan de eigen BV.

De staatssecretaris vindt dat met deze brief van 13 april aan de Eerste Kamer, de discussie over de onbepaald en bepaald elders verzekerde delen wat hem betreft is gesloten. Maar is dat ook zo?

Volgens de staatssecretaris moeten partijen bij voortzetting van het (onbepaalde) verzekerd deel in de pensioenovereenkomst opnemen dat de aanvulling door de BV nooit meer mag zijn dan nodig is voor het voldoen aan de verplichting die dat lichaam op 1 juli 2017 had. Maar wat is die verplichting dan? Kennelijk bedoelt de staatssecretaris de fiscale balanswaarde van deze verplichting op 1 juli 2017. De BV mag deze fiscale balanswaarde nadien alleen nog actuarieel is oprenten. Maar naar onze mening is slechts de juridische inhoud van die verplichting maatgevend. De juridische verplichting staat in de pensioenovereenkomst. In de pensioenovereenkomst is aangegeven dat deze verplichting bestaat uit een aanvulling van het verzekerde deel tot de (op 1 juli 2017 opgebouwde) aanspraak op een eind- of middelloon pensioen. Dit betekent dat wanneer  de uitkering uit de verzekering tegenvalt (bijvoorbeeld doordat de tariefsrente bij aankoop van het pensioen lager is dan 4%),  de BV uit hoofde van deze juridische verplichting, de pensioenuitkering moet aanvullen tot het bedrag waarop de DGA recht heeft volgens de pensioenovereenkomst. De actuarieel opgerente fiscale balanswaarde zal niet toereikend zijn om de juridische verplichting na te komen. Naar onze mening mag de BV extra reserveren voor deze toename van de verplichting. Immers deze juridische verplichting bestond al op 1 juli 2017 maar kwam door de fiscale rekenregels nog niet tot uiting in de fiscale balanswaarde per 1 juli 2017. De toename van de pensioenverplichting valt dan naar onze mening volledig onder het overgangsrecht van artikel 38n eerste lid Wet op de loonbelasting.

De juridische verplichting van de BV bestaat uit het aanvullen van de premievrije pensioenaanspraak tot het toegezegde eind- of middelloon pensioen. Dat houdt in dat als het verzekerde deel na 1 juli 2017 vermindert, de verplichting van de BV toeneemt. Dat gebeurt naar onze mening ook als de waarde van de pensioenverzekering afneemt tot nul. Bijvoorbeeld doordat het pensioenkapitaal wordt uitgekeerd aan de BV. De BV moet het ontvangen pensioenkapitaal toevoegen aan de fiscale winst. Hier tegenover staat dat de BV de toename van de verplichting in eigen beheer ten laste van het fiscale resultaat kan brengen. Naar onze mening kom je dan niet toe aan toepassing van artikel 19b van de Wet op de loonbelasting want deze juridische verplichting bestond al op 1 juli 2017.

Maar, zoals we al eerder aangaven, blijft het verbazingwekkend dat de staatssecretaris niet met duidelijke wet- en regelgeving komt. Dan is er geen discussie meer mogelijk. Ongeacht welke standpunt de voorkeur heeft, is het in ieders belang dat er geen onduidelijkheid bestaat. En die is er ook na deze brief nog steeds. Op zijn minst is er voor beide standpunten wat te zeggen. Als de staatssecretaris niet wil dat overdracht van het onbepaald verzekerde deel naar de BV na 1 juli 2017 nog fiscaal geruisloos kan, waarom neemt hij dan geen expliciete bepaling hierover op in de wet? Dat is toch de meest logische weg en voorkomt mogelijke procedures die een lange looptijd en een onzekere uitkomst kennen.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Kamerbrief Eerste KamerToezegging Pensioen in Eigen Beheer

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 april 2017