Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Wet uitfasering PEB; onbepaald verzekerd deel (4)

26 april 2017

De onduidelijkheid rondom het onbepaald verzekerde pensioen blijft aanhouden. De Eerste Kamer vraagt aan staatssecretaris Wiebes om een verduidelijking van zijn brief van 13 april 2017 over het onbepaald verzekerde deel in het kader van de Wet uitfasering PEB.  

Verzoek Eerste Kamer

De Eerste Kamer schrijft Wiebes op 19 april een brief waarin zij vraagt om een verduidelijking van Wiebes’ brief van 13 april 2017 (zie ons bericht van 18 april 2017) over het onbepaald verzekerde deel in het kader van de Wet uitfasering PEB.

De leden van de Eerste Kamer zijn het eens met Wiebes dat in de overeenkomst moet worden opgenomen - voor zover dat al niet was gebeurd - dat de aanvulling op het pensioen van de DGA door het eigenbeheerlichaam nooit meer mag zijn dan nodig is voor het voldoen aan de pensioenverplichting die het lichaam uiterlijk op 1 juli 2017 heeft. De leden vragen aan de staatssecretaris om te bevestigen dat het hier gaat om de uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende juridische verplichting en niet om de verplichting die is opgenomen op de fiscale balans ten tijde van het stoppen van de opbouw van de pensioenaanspraken.

Als het gaat om de juridische verplichting is het dan nog nodig om pensioenovereenkomst op een andere manier aan te passen of aan te vullen? De leden van fracties van VVD en CDA betwijfelen of de analyse van de staatssecretaris over het overgangsrecht van de Wet uitfasering PEB wel juist is. Volgens hen blijft de BV voor de tot op uiterlijk 30 juni 2017 opgebouwde pensioenaanspraken een toegelaten verzekeraar. Naar de mening van de vragenstellers gaat het vanaf 1 juli 2017 ook bij een elders onbepaald verzekerd deel enkel om de financiering van gefixeerde pensioenaanspraken en niet om een verhoging van de aanspraken zelf van de DGA. De verplichting in eigen beheer bestaat uit de aanvulling van het elders verzekerde onbepaalde deel. Daarom valt een overdracht van het verzekerde kapitaal onder de reikwijdte van dit overgangsrecht en kan het pensioenkapitaal ook na 30 juni 2017 nog fiscaal geruisloos worden uitgekeerd aan de BV. De Kamerleden vragen in verband hiermee aan Wiebes of het  elders onbepaald verzekerd gedeelte op een later tijdstip na 30 juni 2017 alsnog kan worden overgedragen aan het eigenbeheerlichaam in het kader van de financiering van het PEB.

Commentaar

De onduidelijkheid rondom het onbepaald verzekerde pensioen blijft aanhouden. In het commentaar op ons bericht van 18 april 2017 gaven wij al aan dat naar onze mening het fixeren van de verplichting juridisch moet worden bepaald. Dat houdt in, dat niet de verplichting die is opgenomen op de fiscale balans ten tijde van het stoppen van de opbouw van de pensioenaanspraken maatgevend is, maar de aanvulling die de BV te zijner tijd moet doen. Deze aanvulling is op 30 juni 2017 nog niet bepaalbaar. De Eerste Kamer brengt de discussie terug tot de kern van de zaak met de constatering dat het vanaf 1 juli 2017 ook bij een elders onbepaald verzekerd deel PEB enkel gaat om de financiering van gefixeerde pensioenaanspraken en niet om extra opbouw van de aanspraken zelf van de DGA.

De juridische verplichting van de BV bestaat uit het aanvullen van de premievrije pensioenaanspraak tot het toegezegde eind- of middelloon pensioen. Als in dat geval  de waarde van het verzekerde deel na 30 juni 2017 wijzigt, verandert de balanswaarde van de verplichting van de BV. Dat kan leiden tot een toe- of afname van deze balanswaarde. Naar onze mening geldt dit ook als na 30 juni 2017 het pensioenkapitaal wordt uitgekeerd aan de BV. De BV voegt het ontvangen pensioenkapitaal toe aan de fiscale winst. De stijging van de verplichting in eigen beheer kan de BV  ten laste van het fiscale resultaat kan brengen.

De aanvulling is alleen bepaalbaar als het onbepaalde verzekerde deel wordt omgezet in een bepaald verzekerd deel. Een verplichte omzetting van bepaald naar onbepaald vloeit naar onze mening niet voort uit de tekst van de Wet uitfasering PEB. Als de staatsecretaris deze verplichting wel wil opleggen, moet hij naar onze mening de wettekst aanpassen. In het geval dat deze verplichting wettelijk is voorgeschreven moeten partijen voor het voort te zetten (bepaald) verzekerd deel een nieuwe pensioenovereenkomst opstellen. Maar is het in dat geval terecht om de bepaalbare aanspraken te berekenen op basis van de herleidings- of inbouwmethode? Naar onze mening niet omdat je in dat geval veronderstelt dat het verzekerd pensioen een rente oplevert van 4%. Dat is gezien de huidige omstandigheden wel heel erg optimistisch.

Het is dringend gewenst dat er duidelijkheid komt in deze kwestie. Immers de coulance termijn loopt af op 30 juni 2017. Als een DGA besluit om zijn pensioenverzekering, al dan niet premiebetalend, voort te zetten moet hij voor die tijd weten hoe hij in dat geval moet handelen en wat de formaliteiten zijn. Het blijft ons verbazen dat de staatssecretaris met steeds ingewikkelder redeneringen zijn standpunt tracht te onderbouwen. Waarom past hij de wet niet aan, zodat alle discussie uit de lucht is? De Eerste Kamer vraagt zich dat kennelijk ook af gezien de vraag welke constructiemogelijkheden voor DGA’s de staatssecretaris veronderstelt bij het onder het overgangsrecht begrijpen van een latere overdracht dan 30 juni 2017 van het bij een verzekeraar onbepaald verzekerd gedeelte?

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Brief eerste Kamer, d.d. 19 april 2017.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 25 april 2017