Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Wetsvoorstel: lagere pensioenopbouw, aftopping inkomen en netto lijfrente

21 januari 2014

Het kabinet diende 20 januari een novelle in bij de Tweede Kamer. Deze novelle is een vertaling van het pensioenakkoord waarmee het Witteveenkader per 2015 wordt verlaagd. Het regelt de aanpassing van de opbouwpercentages van het Witteveenkader, de introductie van een spaarfaciliteit voor inkomens boven de aftopping van € 100.000 (nettolijfrente) en de invoering van een aantal premiewaarborgen met ingang van 1 januari 2015.

Novelle

Eind vorig jaar sloot het kabinet na lang onderhandelen met D66, ChristenUnie en SGP het pensioenakkoord. De afspraken betroffen een aanpassing van het wetsvoorstel om het Witteveenkader te verlagen. Dit wetsvoorstel strandde op 9 oktober in de Eerste Kamer. Het kabinet trok het wetsvoorstel niet in maar 'hield het aan'.  Hierdoor hoeft het kabinet geen geheel nieuw wetsvoorstel in te dienen maar kan zij volstaan met een novelle (een aanpassing op het bestaande wetsvoorstel). Zie ons eerdere nieuwsbericht van 18 december 2013. Het wetsvoorstel Wet pensioenaanvullingsregelingen (netto pensioensparen) komt geheel te vervallen.

Hoofdlijnen voorstel

De novelle regelt het volgende:

  • Voor iedereen met een inkomen onder de aftoppingsgrens van € 100.000 wordt het maximum opbouwpercentage per dienstjaar 1,875% voor pensioen op basis van het middelloon (nu 2,15%) . Voor pensioen op basis van het eindloon wordt dit 1,657% (nu 1,90%). Een soortgelijke aanpassing wordt doorgevoerd voor beschikbare premieregelingen. De maximumopbouw voor het partnerpensioen en het wezenpensioen wordt overeenkomstig aangepast.
  • De fiscale oudedagsreserve en het lijfrentekader in de derde pijler volgen deze aanpassing.
  • Over het deel van het inkomen boven de aftoppingsgrens van € 100.000 wordt een nieuwe spaarmogelijkheid op vrijwillige basis geïntroduceerd. Voor inkomen vanaf € 100.000 kan via een nettolijfrente een oudedagsvoorziening worden opgebouwd die ongeveer overeenkomt met een jaarlijkse bruto pensioenopbouw van 1,875% middelloon. De premie of inleg wordt betaald uit het netto-inkomen. De waarde van een aanspraak op een nettolijfrente vormt vrijgesteld vermogen in box 3. De uitkeringen worden niet belast in box 1. De lijfrente moet -afgezien van de netto premie- voldoen aan de bestaande lijfrentewetgeving. Het moet dus voorzien in een inkomen voor de oudedag. Wanneer niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan, vervalt de vrijstelling in box 3.

 

Volgens het Centraal Planbureau zijn de generatie-effecten van het voorstel verwaarloosbaar, als de beperking van de pensioenopbouw gepaard gaat met een actuarieel neutrale verlaging van de pensioenpremie. Als een zodanige verlaging van de premies niet plaatsvindt, is dat nadelig voor jongere generaties. Om te bevorderen dat een beperking van de pensioenopbouw werkelijk gepaard gaat met een verlaging van de pensioenpremies, ontwikkelde het kabinet een aanpak langs drie sporen.

  • Een versterking van de interne governance binnen pensioenfondsen, doordat fondsbesturen verplicht worden een voorgenomen besluit tot vaststelling van de pensioenpremie voor te leggen aan het verantwoordingsorgaan.
  • De Nederlandsche Bank gaat toetsen of premiebesluiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en of de belangen van de verschillende groepen belanghebbenden en verschillende generaties hierbij op evenwichtige wijze zijn behartigd. De informatieverplichtingen worden uitgebreid met betrekking tot de samenstelling van de pensioenpremie en de hoogte van de premiecomponenten.
  • In een nog op te stellen wetsvoorstel worden de regels inzake het toekennen van indexatie aangescherpt.

Commentaar

De Raad van State heeft  minder commentaar op dit wetsvoorstel dan op de vorige wetsvoorstellen. De Raad heeft  in ieder geval geen fundamentele bezwaren. De Raad toont zich kritisch over de doorsneepremie. Volgens de Raad impliceert deze premie dat jongere werknemers teveel premie betalen in relatie tot de pensioenopbouw, terwijl oudere werknemers relatief te weinig premie betalen. Dit is geen probleem zolang het merendeel van de werknemers gedurende zijn gehele werkzame leven blijft deelnemen aan een pensioenregeling. Maar hier wordt niet aan voldaan. Zo zijn werknemers in veel mindere mate dan voorheen hun gehele loopbaan bij één werkgever in dienst. Het is op zich apart dat de Raad zich in haar commentaar op een fiscaal wetsvoorstel bemoeit met de doorsneepremie.

Wij zijn er niet rouwig om dat het wetsvoorstel Wet pensioenaanvullingsregelingen is geschrapt. Wij hebben al in een vroeg stadium opgeroepen om dit wetsvoorstel niet in te voeren (zie bijvoorbeeld ons nieuwsbericht van 18 juni 2013). Het huidige voorstel van netto lijfrente ziet er een stuk sympathieker uit. Mensen met een inkomen van meer dan € 100.000 die er gebruik van willen maken, kunnen op een fiscaal vriendelijke manier sparen voor een aanvulling op hun pensioeninkomen.

Wanneer een nettolijfrente niet meer aan de voorwaarden voldoet (deze wordt bijvoorbeeld afgekocht), vervalt de vrijstelling in box 3. Het is ons niet geheel duidelijk wat er met de genoten vrijstelling in het verleden gebeurt. Het betreffende artikel in het wetsvoorstel luidt als volgt: "Na toepassing van het eerste lid worden aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voorafgaande jaren niet meer in aanmerking genomen voor de toepassing van deze afdeling."(1.)  Het lijkt ons de bedoeling van de wetgever hiermee de genoten vrijstelling in het verleden te schrappen. Dat zou betekenen dat er inkomstenbelasting nagevorderd kan gaan worden. Dat is ook wel logisch, omdat het anders een loterij zonder nieten wordt. Eerst gebruik maken van de vrijstelling in box 3 en dan op enig moment het onbelaste kapitaal opnemen voor de aankoop van een auto of een boot. Dat lijkt ons niet de bedoeling.

Wij zien overigens niet in waarom deze aanvullende oudedagsvoorziening uitsluitend in de vorm van een netto-lijfrente zou moeten kunnen. Ook in de tweede pijler is het mogelijk om geheel vrijwillig een aanvullende netto pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet te creëren. Voordeel voor de deelnemers daarbij is een makkelijker toegankelijkheid (geen medische waarborgen) en opbouw van het pensioen bij een en dezelfde uitvoerder. Zie het artikel hierover van Herman Kappelle in het FD van 7 januari 2014.

De ingangsdatum van de wijzigingen is 1 januari 2015. Het lijkt nog ver weg, maar pensioenuitvoerders hebben heel veel werk te verzetten. Dit geldt vooral voor verzekeraars. In tegenstelling tot pensioenfondsen moeten zij voor elke klant apart de regeling aanpassen. In totaal regelen de verzekeraars voor zo'n 40.000 bedrijven het pensioen van de medewerkers. Volgens het Verbond van Verzekeraars moesten per 1 januari 2014 ruim 60% van deze contracten gewijzigd worden.  De wijziging per 1 januari 2015 heeft ongetwijfeld  een nog grotere impact. Naar verwachting moeten vrijwel alle pensioenregelingen worden aangepast. Volgens het Financieel Dagblad waren veel werkgevers erg laat gestart met het aanpassen van hun pensioenregelingen. Blijkbaar gingen veel bedrijven ervan uit dat ze dit soort fiscale wijzigingen eenzijdig konden doorvoeren. Maar dat is niet het geval. De werkgever moet eerst overeenstemming bereiken met de ondernemingsraden over aanpassingen. En die zullen niet zonder meer akkoord gaan. Het kabinet roept in de begeleidende brief bij de novelle de Tweede Kamer op om het wetsvoorstel spoedig te behandelen. Wij ondersteunen deze oproep van harte waardoor werkgevers, adviseurs en pensioenuitvoerders voldoende tijd hebben om pensioenregelingen aan te passen. En, gezien de ervaringen van vorig jaar, hier op tijd mee beginnen.

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis
Bron: Nieuwsbericht ministerie van Financiën, 20 januari 2014
 

Voetnoot:

1. Voorgesteld artikel 5.16b (Begrenzing premie nettolijfrente), lid 2 Wet IB 2001.