Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Wetsvoorstel waardeoverdracht klein pensioen aangeboden aan Tweede Kamer

4 september 2017

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stuurde het wetsvoorstel Wet waardeoverdracht klein pensioen naar de Tweede Kamer. Ten opzichte van de in de internetconsulatie voorgelegde versie, bevat het uiteindelijke wetsvoorstel een aantal duidelijke verbeteringen. Maar er blijven ook nog vragen. 

Doel van het wetsvoorstel

Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het doel van het wetsvoorstel is een automatische waardeoverdracht mogelijk te maken van een klein pensioen van een gewezen deelnemer naar zijn of haar nieuwe pensioenuitvoerder. Zo kunnen kleine pensioenen gebundeld worden tot een pensioen van aanzienlijker omvang.

Het systeem van waardeoverdracht wordt zo eenvoudig mogelijk ingericht en belemmeringen worden waar mogelijk weggenomen. Zo kunnen mogelijkheden van kostenbeheersing en efficiëntie worden gerealiseerd bij uitvoerders. Daarnaast regelt dit wetsvoorstel nog enkele andere onderwerpen die met waardeoverdracht verband houden.

Klein pensioen

Van een klein pensioen is sprake als de jaarlijkse aanspraak niet meer bedraagt dan € 467,89. Dit bedrag kennen we momenteel als de grens waaronder een pensioenuitvoerder mag afkopen. Deze afkoopmogelijkheid vervalt. De pensioenuitvoerder waar een gewezen deelnemer een klein pensioen heeft, mag de waarde daarvan eenzijdig overdragen naar de nieuwe pensioenuitvoerder van deze deelnemer. De nieuwe pensioenuitvoerder moet deze waardeoverdracht accepteren. De gewezen deelnemer speelt geen actieve rol in deze waardeoverdracht. Hij kan hem niet initiëren noch tegenhouden. Bij AMvB worden nadere regels gesteld. Zie daarover ons nieuwsbericht van 11 augustus 2017.

Heel klein pensioen

Naast het begrip klein pensioen, introduceert het wetsvoorstel het begrip “heel klein pensioen”. Van een heel klein pensioen is sprake als de jaarlijkse pensioenaanspraak niet meer bedraagt dan € 2. Dergelijke hele kleine pensioenen vervallen, zonder compensatie voor de pensioengerechtigde.

Vervallen individueel bezwaarrecht bij verhoging pensioenrichtleeftijd

Het bezwaarrecht voor een individuele deelnemer bij een interne waardeoverdracht (artikel 83, lid 2, onderdeel a, Pensioenwet) vervalt als reeds opgebouwde pensioenaanspraken actuarieel worden herrekend naar een verhoogde pensioenrichtleeftijd. Voorwaarde hiervoor is dat een dergelijke aanpassing contractueel mogelijk is en dat wordt herrekend naar een pensioenrichtleeftijd zoals bedoeld in de Wet LB 1964. Het geldt dus wél voor situaties waarin sociale partners de pensioenrichtleeftijd niet eerder hebben verhoogd en nu per 1 januari 2018 willen verhogen naar 67 jaar in plaats van meteen naar 68 jaar. Maar het geldt niét voor een herrekening naar een andere pensioenleeftijd die geen pensioenrichtleeftijd is in de zin van de Wet LB (bijvoorbeeld de 66-jarige leeftijd). Voor dergelijke herrekeningen blijft het individuele bezwaarrecht onverkort van toepassing.

Zowel de herrekening naar een hogere pensioenleeftijd (collectief uitstel) als de herrekening naar een lagere pensioendatum (individuele vervroeging) moet collectief actuarieel gelijkwaardig plaatsvinden. Dat betekent dat de waarde van de gemiddelde individuele deelnemer in beginsel niet wordt aangetast.
Pensioenuitvoerders herzien de  collectieve uitstel- en vervoegingsfactoren  periodiek. Dat betekent dat in individuele situaties een verschil kan ontstaan omdat bij een collectieve omzetting collectieve grondslagen worden gehanteerd en bij een individuele omzetting moet worden uitgegaan van vervroegingsfactoren die op het moment van daadwerkelijke vervroeging gelden. Bepalend voor het antwoord op de vraag of bij een combinatie van collectief uitstel en latere individuele vervroeging sprake is van een aantasting van aanspraken, is niet of achteraf (dus op het moment van de individuele vervroeging) verschillen blijken. Bepalend is of die verschillen vooraf (dus op het moment van collectief uitstel) bekend waren. Dit betekent dat veranderingen (tussen het moment van collectief uitstel en het moment van individuele vervroeging) in deze collectieve factoren niet leiden tot aantasting van pensioenaanspraken. Aantasting van aanspraken kan wel ontstaan als pensioenuitvoerders rekening houden met selectie-effecten. Dergelijke selectie-effecten treden niet op bij het collectief uitstel, omdat dat collectieve uitstel voor alle deelnemers geldt. Selectie-effecten kunnen wel voorkomen bij individuele vervroeging. Dat gebeurt bijvoorbeeld om het nadeel voor het collectief te compenseren als wordt verwacht dat vrouwen relatief meer gebruik maken van vervroeging. Met dit wetsvoorstel wordt verboden dat in de vervroegingsfactoren rekening wordt gehouden met dergelijke selectie-effecten.

Naast het individuele bezwaarrecht vervalt in deze situaties ook de meldingsplicht aan DNB en de mogelijkheid voor DNB om vooraf een verbod op te leggen. DNB toetst wel achteraf of het verbod op het rekening houden met selectiefactoren wordt nageleefd.

Internationale waardeoverdracht

Bij de behandeling van de Verzamelwet Pensioen in 2008 zegde de regering toe zich nog eens opnieuw te willen beraden of in de artikelen 88 en 89 PW niet als voorwaarde voor een waardeoverdracht zou moeten worden opgenomen, dat de afkoopmogelijkheden in de buitenlandse regeling niet ruimer zou mogen zijn dan in Nederland. Met dit wetsvoorstel worden deze voorwaarden in artikel 88 en 89 van de PW opgenomen, zodat deze in overstemming worden gebracht met hetgeen in de artikelen 85 en 87 PW al wel sinds jaar en dag is opgenomen.

Pensioenverevening bij scheiding

De tot verevening gerechtigde echtgenoot krijgt instemmingsrecht in het geval dat de ex-echtgenoot het pensioen via een waardeoverdracht naar het buitenland wil overbrengen. Dat voorkomt dat de tot verevening gerechtigde het pensioenrecht niet kan effectueren. Daarnaast kan een geconverteerd verevend pensioenrecht via een waardeoverdracht ingebracht worden in de eigen pensioenregeling van de vereveningsgerechtigde, mits de  pensioenregeling daarin voorziet.

Commentaar

De doelstelling van het wetsvoorstel onderschrijven wij. Afkoop van kleine pensioenen bevorderde de efficiency en verlaagde de uitvoeringskosten, maar leidde tot verlies van de pensioenaanspraken voor de deelnemer. Door een eenvoudige waardeoverdracht van premievrije kleine pensioenen naar de uitvoerder waar de deelnemer actief is, wordt dit voorkomen en maken vele kleintjes uiteindelijk wellicht een grote.

De grens van € 2 voor het laten vervallen van hele kleine pensioenaanspraken leidde tot vragen waarom is gekozen voor deze lage grens. Een pensioenaanspraak van € 2 bereik je al als je één jaar deelneemt in een middelloonregeling met een salaris dat € 106 boven de franchise ligt. Volgens de regering vergroot het ophogen van de grens het risico dat het ontnemen van eigendom van de desbetreffende deelnemers, hoe klein ook materiële betekenis krijgt. Dit wekt enige verbazing. De AOW kent sinds 2015 een bepaling op grond waarvan er geen recht bestaat op een uitkering indien iemand op de pensioendatum minder dan een kalenderjaar verzekerd is geweest. Het Hof Amsterdam concludeerde onlangs dat het verlies aan AOW in een dergelijk geval ongeveer € 240 per jaar bedraagt, maar dat geen sprake was van een onevenredig zware last voor betrokkene en dus geen sprake van aantasting van eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM. Zie ons nieuwsbericht van 30 augustus 2017. Elke grens is uiteraard subjectief en het resultaat van een politieke keuze. En in politieke keuzes mengen wij ons niet. Maar, als in de eerste pijler, die voorziet in het basisinkomen, een verlies van € 240 per jaar aanvaardbaard is, dan lijkt de argumentatie waarom in de tweede pijler is gekozen voor € 2 per jaar weinig overtuigend.

De fiscale gevolgen van het laten vervallen van een heel klein pensioen komen zeer summier aan de orde. De memorie van toelichting zegt hierover; “Aan het laten vervallen van de heel kleine pensioenen zijn geen fiscale gevolgen voor de deelnemer of gewezen deelnemer verbonden”. Wij vragen ons af of dat inderdaad zo is. In de Pensioenwet wordt met dit wetsvoorstel de definitie van afkoop zodanig aangepast dat het vervallen van de hele kleine pensioenen hier niet onder valt. Maar de fiscaliteit kent zijn eigen regime. Daar staat in artikel 19b, eerste lid onderdeel a Wet LB 1964 dat zodra een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet meer als zodanig is aan te merken, de aanspraak meteen belast is. Het is vaste jurisprudentie dat als een aanspreek gedeeltelijk niet meer aan de voorwaarden voldoet, de gehele aanspraak belast is (HR 16 september 1981). Daar brengt een zinnetje in de memorie van toelichting bij een wijziging van de Pensioenwet geen verandering. Om het uitermate ongewenst en onbedoelde effect te vermijden dat het laten vervallen van hele kleine pensioenen leidt tot belastingheffing bij de gewezen deelnemer, is er dus ook op het fiscale gebied nog wel iets nodig.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Wetsvoorstel Wet waardeoverdracht klein pensioen.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 september  2017.