Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Wiebes beantwoordt Kamervragen over fiscale pensioenmaatregelen

28 oktober 2016

Staatssecretaris Wiebes beantwoordt in de Nota naar aanleiding van het versalg vragen van de Tweede Kamer over het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen. Een aantal van die vragen en antwoorden over overige pensioenmaatregelen vindt u hierna.

Waarom heeft de staatssecretaris het verzoek van het Verbond om bij de bepaling van het pensioen uit te gaan van één franchise niet overgenomen? 

Wiebes vindt dat het toestaan van het gebruik van de middelloonfranchise voor eindloonregelingen een verruiming betekent van het fiscale kader voor eindloonregelingen. Dit heeft volgens hem forse budgettaire effecten. Hij ziet geen aanleiding voor een dergelijke aanpassing. Hij heeft wel het voornemen om te onderzoeken of het toepassen van één franchise (de eindloonfranchise) in zogenaamde combiregelingen, toegestaan kan worden. Voor deze regelingen is in een beleidsbesluit al een tijdelijke goedkeuring opgenomen voor de situatie van een pensioenregeling die een combinatie is van een ouderdomspensioen volgens het middelloon- of beschikbare premiestelsel en een op risicobasis verzekerd partner- of wezenpensioen volgens het eindloonstelsel (combinatieregelingen). Voor dergelijke combinatieregelingen is tijdelijk goedgekeurd dat voor de berekening van de franchise voor het partner- en wezenpensioen volgens het eindloonstelsel, rekening mag worden gehouden met de (lagere) middelloonfranchise. Wiebes gaat onderzoeken of deze regeling permanent gemaakt kan worden.

 

Moet het staffelbesluit niet worden uitgebreid met een 2%-staffel? 

Volgens bijlage V van het staffelbesluit kunnen partijen bij een beschikbare premieregeling uitgaan van een 2%-rekenrente als de kostprijs van een (fictieve) middelloonregeling bij de betreffende pensioenuitvoerder uitgaat van 2%. De staatssecretaris geeft een voorbeeld hoe een dergelijke 2%-staffel eruit kan zien.

 

Waarom is de doorwerkeis wel is geschrapt voor het ouderdomspensioen en niet voor het prepensioen? 

Volgens de staatssecretaris verschilt prepensioen van ouderdomspensioen. Uitgangspunt bij een prepensioenregeling is dat de pensioeningangsdatum en de AOW-gerechtigde leeftijd niet aan elkaar gelijk zijn. Daardoor speelt harmonisering van de pensioeningangsdatum en de AOW-gerechtigde leeftijd geen rol. Daarom is in het wetsvoorstel niet voorzien in het afschaffen van het doorwerkvereiste voor prepensioenregelingen.

 

Is de staatssecretaris bereid ongelijkheid weg te nemen tussen arbeidsongeschikten met alleen een WIA-uitkering en werknemers met een AOV-uitkering?

De opbouw van pensioen tijdens arbeidsongeschiktheid is afhankelijk van het al dan niet ontvangen van een loongerelateerde uitkering. In veel gevallen is de pensioendatum (67 jaar) niet gelijk aan de AOW-leeftijd. Dit kan voor werknemers die bij arbeidsongeschiktheid slechts recht hebben op een WIA-uitkering ongunstig uitpakken. Deze werknemers kunnen bij arbeidsongeschiktheid hun pensioen alleen maar premievrij opbouwen tot de AOW-leeftijd. Immers de WIA uitkering loopt maar tot hun AOW-leeftijd. Werknemers met een (aanvullende) AOV-uitkering kunnen dit vaak wel omdat de AOV-uitkering tot hun pensioendatum (67 jaar) wordt uitgekeerd. De staatssecretaris is niet bereid deze ongelijkheid weg te nemen. Hij is van mening dat sociale partners dit zelf kunnen oplossen door in pensioenregelingen op te nemen dat de premievrije opbouw stopt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. 

 

Commentaar

Twee franchises
De reactie van de staatssecretaris op de vraag waarom hij vasthoudt aan twee franchises is in zoverre hoopgevend dat hij de bereidheid aangeeft om het acute probleem op te lossen om de tijdelijke regeling van het besluit van 6 november 2015 permanent te maken. Daar zijn pensioenuitvoerders al heel erg mee geholpen. De principiële vraag waarom er een verschil zou moeten zijn in de franchise bij een eindloonregeling en een middelloonregeling beantwoordt hij echter niet. Iedereen, of hij nu eindloon of middelloon heeft, krijgt hetzelfde bedrag aan AOW. De opbouwpercentages zijn voor eindloon- en middelloonregelingen zodanig bepaald dat het pensioenresultaat bij een normaal carrièreverloop (op basis van de 3-2-1-0-formule) voor beide regelingen gelijk is. Dat zou dus geen invloed moeten hebben op de manier waarop rekening gehouden wordt met de AOW bij de opbouw in de tweede pijler. 

Doorwerkeis en prepensioen
Als wordt uitgesteld met toepassing van de doorwerkeis moet de pensioenuitvoerder controleren dat sprake is van daadwerkelijk doorwerken. Doet hij dat niet en mocht blijken dat niet aan de doorwerkeis wordt voldaan, dan is sprake van een onzuivere regeling en is de pensioenuitvoerder inhoudingsplichtig en aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende loonheffing en revisierente. Het schrappen van de doorwerkeis is bedoeld als administratieve lastenverlichting voor de uitvoerder. De nu door de staatssecretaris genoemde harmonisatie van de AOW-gerechtigde leeftijd en de pensioeningangsdatum speelt daarbij helemaal geen rol en is ook nog niet eerder genoemd. Het gaat om de administratieve lasten en die worden nu eerder meer dan minder. Want nu moet de pensioenuitvoerder bij een verzoek om uitstel ook nog gaan kijken of sprake is van een prepensioen (wel doorwerkeis) of een ouderdomspensioen (geen doorwerkeis).

De staatssecretaris maakt niet duidelijk wat erop tegen is om de doorwerkeis ook voor prepensioen te laten vervallen. Het heeft geen budgettaire gevolgen, leidt niet tot oneigenlijk of onbedoeld gebruik en is voor de uitvoerders heel belangrijk. 

Premievrijstelling tot aan de pensioenrichtleeftijd
Helaas gaat de staatssecretaris (nog) niet mee in de suggestie van de PvdA om premievrijstelling tot aan de pensioenrichtleeftijd mogelijk te maken voor deelnemers met alleen een WIA-uitkering. De argumentatie die hij gebruikt is niet sterk. De staatssecretaris baseert zijn antwoord op de veronderstelling dat de meeste pensioenfondsen een pensioeningangsdatum hebben die overeenkomt met de AOW-gerechtigde leeftijd. Dat is bijvoorbeeld bij ABP en PfZW het geval, maar lang niet altijd bij andere regelingen. Zeker bij rechtstreeks verzekerde regelingen is de pensioenrichtleeftijd doorgaans de in artikel 18a, zesde lid Wet LB 1964 opgenomen leeftijd, die momenteel 67 jaar bedraagt. Daarmee is er bij dergelijke regelingen dus een verschil tussen de AOW-ingangsdatum en de in de pensioenregeling opgenomen pensioenrichtleeftijd. De premiestelling (en dus ook de opslag voor premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid) is ook afgestemd op deze pensioenrichtleeftijd. Een deelnemer in een dergelijke regeling veronderstelt dat hij pensioen opbouwt tot zijn pensioenrichtleeftijd. Als de regeling dat omvat, kan hij vervroegen. Maar dat is een individuele keuze. Hij veronderstelt ook dat - mocht hij arbeidsongeschikt worden -  zijn pensioenopbouw wordt voortgezet tot zijn pensioenrichtleeftijd. Daarvoor wordt via de premieopslag ook premie betaald. Maar op grond van de fiscale regels mag hij, als hij geen aanvullend AO-pensioen heeft, maar premievrijstelling krijgen tot zijn AOW-ingangsdatum. Natuurlijk heeft de staatssecretaris gelijk als hij zegt dat in de pensioenregeling kan worden afgesproken dat de premievrije opbouw stopt bij het bereiken van de AOW-leeftijd en dat het aan sociale partners is om hiervoor bij de inrichting van de pensioenregeling te kiezen. Maar dat is het punt niet. Het gaat nu juist om de situatie waarin sociale partners hebben besloten om dit niet te doen en de premievrijstelling te verlenen tot de pensioenrichtleeftijd, zodat arbeidsongeschiktheid niet leidt tot verlies van pensioen.

Omdat de budgettaire kosten relatief gering zijn, ziet het kabinet geen aanleiding om de opbouwtermijnen gelijk te trekken. Maar, is dat niet juist een argument om dat wel te doen? Budgettair belang is er dus nauwelijks. Voor de pensioenregelingen die hun pensioeningangsdatum gesteld hebben op de AOW-ingangsdatum verandert er niks. De premievrijstelling loopt dan per definitie tot die datum. Maar voor de regelingen die de pensioeningangsdatum hebben op de fiscale pensioenrichtleeftijd kan de premievrijstelling worden verleend tot de pensioeningangsdatum waar de deelnemer op rekent en waarvoor de premie voor premievrijstelling is betaald.

 

Auteurs: Paul Lavrijssen en Herman Kappelle, adviseurs Aegon Adfis
Bron: nota naar aanleiding van het verslag, d.d. 25-10-2016

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 25 oktober 2016