Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Wiebes komt VVD niet tegemoet met opbouwpercentage

25 februari 2015

In ons nieuwsbericht van 27 januari schreven wij over pensioenregelingen die ingaan op de eerste dag van de maand waarin de deelnemer 67 jaar wordt. Het maximale opbouwpercentage van 1,875 moet in desbetreffende pensioenregelingen worden aangepast. Een schijnnauwkeurigheid  waarvan niemand beter wordt. Hierover stelde de VVD (Lodders) vragen. Op 24 februari beantwoordde Staatssecretaris Wiebes de vragen waarvan u een selectie hierna aantreft. 

Aanpassen regelingen

Vraag: Moeten sociale partners en vervolgens pensioenuitvoerders alle pensioenregelingen die een pensioeningangsdatum kennen van de eerste van de maand waarin de deelnemer 67 jaar wordt, in combinatie met een opbouwpercentage van 1,875 (middelloon) of 1,657 (eindloon), aanpassen?

Antwoord: (…) Pensioenregelingen die het pensioen laten ingaan op de eerste dag van de maand waarin de deelnemer 67 jaar wordt, in combinatie met het aan de 67e verjaardag als pensioeningangsdatum gekoppelde maximumopbouwpercentage van 1,875 (middelloon) of 1,657 (eindloon), moeten derhalve inderdaad worden aangepast, ervan uitgaande dat ook voor het overige de fiscale ruimte van het Witteveenkader volledig is benut.

Effect lagere opbouwpercentage voor 66 11/12

Vraag: Kunt u aangeven wat het effect is op de pensioenuitkering van deze korting voor iemand met een modaal inkomen?

Antwoord: Het effect van de actuariële herrekening op de totale pensioenuitkering is afhankelijk van de individuele omstandigheden van de werknemer, aard van de pensioentoezegging, omvang van de pensioengevende diensttijd, carrièreontwikkeling, bij te schrijven indexaties en dergelijke. Afhankelijk van of er wel of niet rekening wordt gehouden met een carrièreontwikkeling ligt het effect van de actuariële herrekening tussen de € 230 en € 430 op jaarbasis. In beide gevallen is uitgegaan van een werknemer met een modaal loon bij aanvang, die ouderdomspensioen opbouwt in een fiscaal maximale middelloonregeling vanaf de 25-jarige leeftijd tot de eerste dag van de maand waarin de 67e verjaardag valt.

Geen aanwijzing voor pensioeningangsdata 1e van de maand

Vraag: Bent u bereid om op pragmatische gronden toe te staan dat bij pensioenregelingen, die een pensioeningangsdatum kennen van de eerste van de maand waarin de deelnemer de 67-jarige leeftijd bereikt, mag worden uitgegaan van de in artikel 18a, eerste en tweede lid Wet LB 1964 genoemde opbouwpercentages door dergelijke pensioenregelingen op basis van artikel 19d Wet LB 1964 aan te wijzen als zuivere pensioenregelingen? Zo nee, bent u dan bereid de wet te wijzigen zodat onnodige kosten bij pensioenuitvoerders vermeden kunnen worden?

Antwoord: Het achterwege laten van actuariële herrekening betekent een verruiming van de fiscale ruimte. Om redenen van eenvoud en doelmatigheid acht ik dit echter tijdelijk aanvaardbaar bij pensioenregelingen die ingaan op de eerste dag van de maand waarin de deelnemer 67 jaar wordt. Voor die gevallen zal ik daarom voor een periode van twee jaar goedkeuren dat actuariële herrekening achterwege mag blijven. Deze goedkeuring is slechts van tijdelijke aard om partijen de gelegenheid te geven de pensioenregeling en de systemen en administratie van pensioenuitvoerders aan te passen. Na deze periode zal de wettelijke voorwaarde van actuariële herrekening bij vervroegde ingang van het pensioen weer volledig gelden.

Commentaar

Een teleurstellende reactie van de Staatssecretaris.

De Belastingdienst verkondigde ooit: "Leuker kunnen we het niet maken, wel gemakkelijker." Het lijkt erop dat Staatssecretaris Wiebes dat ook niet wil. Wat is daarvan de reden? Wij vinden dat teleurstellend. Met name omdat niemand hier beter van wordt: de deelnemers niet, de overheid niet en de pensioenuitvoerders niet. 

Opmerkelijk is dat de Staatssecretaris één van de vragen die daarop juist betrekking heeft niet beantwoordt; “Bent u het ermee eens dat de opbrengst van de actuariële korting naar 66 11/12 jaar (0,012% per jaar) niet opweegt tegen de kosten die gemoeid zijn met een aanpassing en de verwerking daarvan in de administratie?”. 

De Staatssecretaris berekent een hogere effect van de actuariële herrekening dan wij. Wij komen op een effect van ongeveer € 111, ervan uitgaande dat de stijging van het salaris en de AOW-franchise gelijk oplopen. Zodat de pensioengrondslag in de tijd gelijk blijft. Hij komt uit tussen de € 230 en € 430. Maar ook bij dit hogere effect per jaar dat de Staatssecretaris berekent, staan de kosten  en opbrengsten niet in verhouding! 

Helder is dat de Staatssecretaris sociale “om reden van eenvoud en doelmatigheid” gedurende een periode van twee jaar desbetreffende regelingen aanwijst als zuivere regeling. Maar waarom kiest hij hiervoor een nieuwe termijn en niet voor drie jaar? Zoals hij ook toestaat voor aanpassing van de AOW-franchise bij pensioenregelingen met zowel een eindloon- als middelloonregeling in één regeling? Of het eerste verlengingsmoment waarop een contract toch moet worden aangepast. Dat is nog eenvoudiger.

 

Auteur:  Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Antwoorden op vragen van het lid Lodders, Brief d.d. 24 februari 2015 aan de Tweede Kamer  

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 25 februari 2015