Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Wiebes wijzigt aftoppingsmethodiek deeltijders niet

9 maart 2017

Staatssecretaris Wiebes ziet geen reden om de aftoppingsmethodiek voor deeltijders aan te passen. Hij schrijft dit naar aanleiding van vragen die de Eerste Kamer hem hierover stelde.

Aanpassingsvoorstel vaste commissie voor aftoppingsgrens deeltijders

Sinds 1 januari 2015 geldt een maximering voor het pensioengevend loon. Over het pensioengevend loon dat meer bedraagt dan € 103.317 (2017) kan een werknemer niet langer fiscaal gefaciliteerd bruto pensioen opbouwen. Volgens de Wet op de loonbelasting (Wet LB) moeten werknemers die in deeltijd werken dit bedrag vermenigvuldigen met de deeltijdfactor. Anders kan bij deeltijddienstbetrekkingen over een hoger bedrag pensioen worden opgebouwd dan het aftoppingsbedrag. Iemand met een 50% dienstverband en een salaris van € 60.000, bouwt daardoor minder pensioen op dan iemand met een 100% dienstverband en een salaris van € 60.000. Het pensioengevend salaris van de deeltijder wordt immers afgetopt op 50% van € 103.317 en dat van de voltijder blijft € 60.000.

De vaste commissie deed de staatssecretaris een oplossingsvoorstel. Op 30 september 2016 stuurde Wiebes de Eerste Kamer een brief waarin hij aangaf geen mogelijkheden te zien om te voorkomen dat iemand met een deeltijddienstbetrekking en een salaris dat op voltijdsbasis meer bedraagt dan de aftoppinggrens, minder pensioen opbouwt dan iemand met een voltijddienstbetrekking die hetzelfde salaris verdient. Lees ook ons nieuwsbericht van 7 oktober 2016. De commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid nam daarmee geen genoegen.

Aanvullende vragen commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De commissie vroeg Wiebes in haar brief van 21 december jl. hoe de toepassing van de deeltijdfactor op de aftoppingsgrens zich verhoudt tot artikel 8, derde lid, van de Pensioenwet en of een aanpassing van de wettelijke aftoppingsmethodiek noodzakelijk is.

Artikel 8 van de Pensioenwet regelt dat werkgevers aan deeltijdwerkers de aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen moeten toekennen naar evenredigheid van de pensioenaanspraken die aan voltijdwerkers worden toegezegd. Deze bepaling is in de Pensioenwet opgenomen om deeltijdwerkers te beschermen door een (naar rato) gelijke behandeling van enerzijds deeltijdwerknemers en anderzijds voltijdswerknemers voor te schrijven.

Wiebes: “Hoewel artikel 8, derde lid, van de Pensioenwet zich niet uitstrekt tot de fiscale aspecten van pensioen, wordt voor de maximering van het pensioengevend loon dezelfde pro-ratamethodiek gehanteerd als wordt voorgeschreven in artikel 8, derde lid, van de Pensioenwet. Door toepassing van de deeltijdfactor wordt het pensioengevend loon van de deeltijdwerknemer naar evenredigheid afgetopt ten opzichte van het pensioengevend loon van de voltijdwerker. Bij een voltijdwerknemer met een (vóór aftopping) pensioengevend loon van € 120.000, wordt een pensioengevend loon van € 100.000 in aanmerking genomen (dus 5/6) en bij een qua voltijdsalaris vergelijkbare deeltijdwerknemer met een dienstbetrekking van 50% en dus een (vóór aftopping) pensioengevend loon van € 60.000, wordt een pensioengevend loon van € 50.000 (dus eveneens 5/6) in aanmerking genomen. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat – binnen eenzelfde sector – het maximale pensioengevend loon per contractuur gelijk is voor deeltijdwerkers en voltijdwerkers.

Ik zie hierin om die reden geen aanleiding de wettelijke aftoppingsmethodiek aan te passen.“

Commentaar

De commissie in de Eerste Kamer blijft vragen stellen over de aftoppingsgrens voor deeltijdarbeiders. Maar Wiebes ziet geen aanleiding om de wettelijke aftoppingsmethodiek aan te passen.

Volgens een schatting van de Belastingdienst zouden rond de 50.000 deeltijdwerkers gevolgen ondervinden van de aftoppingsregel. Hoewel dat een bescheiden aantal is, vroeg de commissie de staatssecretaris in september 2016 haar oplossingsvoorstel te verkennen. Met name omdat het aantal zou kunnen oplopen wanneer de aftoppingsgrens als gevolg van politieke besluitvorming in de toekomst verder daalt of wanneer de flexibiliteit op de arbeidsmarkt verder groeit. In ons nieuwsbericht van 7 oktober 2016 gaven wij al aan dat dit naar onze mening geen ondenkbare ontwikkeling is.

De pensioenwetgeving schrijft voor dat bij een deeltijd dienstverband een deeltijdfactor moet worden gehanteerd. Dit gebeurt bijvoorbeeld ook bij de toepassing van de franchise. Wij vinden het dan ook niet meer dan logisch dat die deeltijdfactor ook moet worden toegepast op de aftopping. Zijn deeltijdwerkers daarmee slechter af dan voltijdswerkers met een salaris boven de aftoppingsgrens? Neen. Ook zij kunnen, net als voltijds werkers hun pensioen met betrekking tot salaris boven de aftoppingsgrens aanvullen met een netto-pensioen. Het ontgaat ons daarom waarom de commissie hierover in de Eerste Kamer vragen blijft stellen.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Kamerbrief pensioenaftopping deeltijders 2 maart 2017

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 8 maart 2017.