Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Wijziging pensioenregeling die verslechtering inhoudt, vereist welbewuste instemming deelnemers

10 oktober 2019

Werkgever wijzigt pensioenregeling van eindloon naar middelloon en van nabestaandenpensioen op opbouwbasis naar risicobasis. Vanwege deze twee belangrijke nadelige wijzigingen moet sprake zijn van welbewuste instemming van de deelnemer wil hij hieraan gebonden zijn. Stilzwijgende instemming is daarvoor onvoldoende.

Wijziging pensioenreglement

X treedt op 1 mei 1997 in dienst bij werkgever Y. In zijn arbeidsovereenkomst staat; “de werknemer zal, conform het daarbij behorende pensioenreglement, worden opgenomen in een collectieve pensioenverzekering, welke de werkgever ten behoeve van haar werknemers heeft afgesloten”. De bij indiensttreding geldende pensioenregeling voorzag in een ouderdomspensioen op eindloonbasis en een bijbehorend nabestaandenpensioen op opbouwbasis.

In 1999 wijzigde de werkgever het pensioenreglement. Eindloon werd middelloon en het nabestaandenpensioen ging van opbouwbasis naar risicobasis. Voorafgaand aan deze wijziging verstrekte Y een memo aan de werknemers waarin uitleg stond over de voorgenomen wijziging. Een maand later verstrekt Y een tweede memo aan de werknemers met informatie over het nieuwe pensioenreglement. Daarbij verstrekte Y ook een keuzeformulier voor het al dan niet meeverzekeren van een partnerpensioen. Verder organiseerde Y drie voorlichtingsavonden waar de nieuwe regeling werd toegelicht en konden de werknemers gedurende een maand vragen stellen aan een speciaal daarvoor opgerichte helpdesk.

Einde dienstverband met vaststellingsovereenkomst en finale kwijting

Het dienstverband van X eindigde per 1 juli 2010 met een vaststellingsovereenkomst. Daarin stond onder ander; “partijen verlenen elkaar na effectuering van het vorenstaande finale kwijting uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan”. Na het einde van de arbeidsovereenkomst vraagt X aan de pensioenverzekeraar of het mogelijk is zijn pensioen eerder te laten ingaan, bijvoorbeeld per september 2010. De pensioenverzekeraar geeft aan dat dit in beginsel mogelijk is en welke voorwaarden daarbij gelden. X vraagt vervolgens of hij in dat geval zijn ouderdomspensioen kan omzetten in een partnerpensioen. Hij geeft daarbij aan dat dat de hoofdreden is dat hij om vervroeging vraagt. De pensioenverzekeraar antwoordt dat dit onder bepaalde voorwaarden mogelijk is.

Op 25 oktober 2010 stuurt X de pensioenverzekeraar een brief met het verzoek zijn ouderdomspensioen op 1 mei 2011 te laten ingaan. Zijn echtgenote ondertekende deze brief ook. Op 10 mei 2011 komt X hier echter op terug en vraagt hij de pensioenverzekeraar per brief het ouderdomspensioen te laten ingaan op 1 september 2015. Op het in 2012 door de pensioenverzekeraar gestuurde Uniform Pensioenoverzicht staat onder het kopje ‘Bij overlijden’; “Bij uw overlijden hebben uw partner en/of kinderen geen recht op een uitkering”. In april 2015 stuurt X het van de pensioenverzekeraar ontvangen formulier terug waarin hij het hokje aankruist waarachter staat; “Ja, ik maak gebruik van uitruil in combinatie met de Hoog-Laag variant. Door deze uitruil wordt mijn partnerpensioen 70% van mijn ouderdomspensioen. Ik ontvang eerst een hoog en daarna een laag ouderdomspensioen”. Het ouderdomspensioen zou ingaan op 1 september 2015, maar X overlijdt op 12 juli 2015. Zijn echtgenote spreekt Y aan voor een partnerpensioen.

Is de wijziging van het pensioenreglement rechtsgeldig jegens X?

De kantonrechter Eindhoven wijst de vordering in eerste instantie af op grond van verjaring.

Volgens het hof is echter geen sprake van verjaring en ook geen sprake van schending van de klachtplicht, zoals Y stelde. Daarom beoordeelt het hof de vorderingen van de weduwe van X en de ook in eerste aanleg door Y daartegen aangevoerde verweren opnieuw.

De weduwe van X stelt dat X nimmer heeft ingestemd met de wijzigingen van het pensioenreglement. Volgens Y was dat ook niet nodig omdat met X een zogenoemd dynamisch incorporatiebeding was overeengekomen. Het hof constateert echter dat uit niets blijkt dat het de bedoeling was dat ook alle eventuele in de toekomst door te voeren wijzigingen ‘automatisch’, dus zonder instemming van X, zouden gaan gelden. De cao was niet van toepassing op X en X was geen lid van de vakbond. Het betoog van Y dat X gebonden was aan de wijzigingen omdat de vakbonden instemden met de nieuwe regeling en/of omdat een verplichte deelname in de cao was opgenomen, gaat volgens het hof dan ook niet op.

Het hof stelt vast dat pensioen een belangrijke financiële arbeidsvoorwaarde betreft, waarbij de voorwaarden van de pensioenregeling voor de meeste werknemers moeilijk zijn te doorgronden. Problemen met betrekking tot een pensioen komen veelal pas aan het licht op het moment dat de uitkering moet ingaan. Wanneer om wat voor reden dan ook de uitkering niet wordt verstrekt, zal degene die daarvan nadeel ondervindt dat veelal niet meer op andere wijze kunnen compenseren. Het hof constateert dat het nieuwe pensioenreglement voor de werknemers van Y zowel voor- als nadelen inhielden. Dat de wijziging van Y kostenneutraal was, wil niet zeggen dat deze per saldo voor X gelijkblijvend was. Of het totale pakket aan wijzigingen voor X een verbetering of een verslechtering opleverde, is niet duidelijk. Vast staat echter volgens het hof, dat de wijziging in het reglement twee zeer belangrijke verslechteringen betroffen. Pensioenopbouw volgens een middelloonregeling in plaats van een eindloonregeling en een nabestaandenpensioen op risicobasis in plaats van op opbouwbasis. Y heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de wijziging voor X per saldo meer voordeel dan nadeel opleverde. Daarom past het hof het zogenaamde CZ-criterium toe, dat wil zeggen dat voor een dergelijke wijziging sprake moet zijn van een welbewuste insteming.

Het hof verwerpt dan ook het betoog van Y dat X heeft ingestemd omdat hij nooit heeft geprotesteerd. ‘Welbewuste instemming’ impliceert volgens het hof dat het X in ieder geval duidelijk moet zijn geweest dat hij de mogelijkheid had om al dan niet in te stemmen. Y heeft weliswaar het nodige gedaan om informatie te geven over de nieuwe regeling memo’s, voorlichtingsavonden, helpdesks), maar zij heeft niet aangevoerd dat zij X heeft gevraagd in te stemmen of dat het X anderszins duidelijk is geweest dat de wijziging zijn instemming behoefde en hij die dus ook kon weigeren. Het hof concludeert dan ook dat het bij indiensttreding geldende pensioenreglement ten opzichte van X is blijven gelden.

Ook het beroep van Y op de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst honoreert het hof niet. Het standpunt van de weduwe van X komt er volgens het hof op neer dat Y ten onrechte tot wijziging van het van het pensioenreglement is overgegaan en dat Y op basis van het overeengekomen pensioenreglement heeft nagelaten een voorziening te treffen voor haar, te weten een nabestaandenpensioen. De weduwe van X leidt om die reden schade. Een kwijting door X van de verbintenis van Y jegens hem, kan volgens het hof niet tot gevolg hebben dat Y ook gekweten is voor aanspraken van de weduwe van X, zoals bijvoorbeeld aanspraken wegens onrechtmatig handelen jegens haar.

Het hof verklaart dan ook voor recht dat het bij indiensttreding geldende pensioenreglement onderdeel uitmaakte van de arbeidsvoorwaarden van X bij Y tot diens uitdiensttreding en dat de weduwe van X (dus) aanspraak heeft op het nabestaandenpensioen zoals opgenomen in het pensioenreglement. Y moet binnen drie maanden na de betekening van het arrest een zodanig bedrag bij de pensioenverzekeraar storten dat de weduwe van X met terugwerkende kracht het nabestaandenpensioen ontvangt waarop zij krachtens het pensioenreglement recht had.

Commentaar

Deze uitspraak maakt maar weer eens duidelijk dat het wijzigen van een pensioenregeling een zorgvuldig proces vergt. Als de wijziging een belangrijke verslechtering inhoudt (en de ervaring leert dat dit gezien met name de versobering van het fiscale kader veelal het geval is) moeten deelnemers welbewust instemmen. “Wie zwijgt stemt toe”, oftewel stilzwijgende instemming is onvoldoende. De belangrijkste overweging van het hof daarbij is rechtsoverweging 3.18. Het moet een deelnemer duidelijk zijn dat hij de mogelijkheid had om al dan niet in te stemmen. Het verstrekken van uitgebreide informatie, het beleggen van informatieavonden en het inrichten van een helpdesk is daarvoor niet genoeg. Een werkgever moet zijn werknemers vragen om in te stemmen, of het in ieder geval anderszins duidelijk maken dat voor de wijziging de instemming noodzakelijk is en dat werknemers die dus ook kunnen weigeren.

Dat betekent overigens niet per definitie dat het hanteren van een negatieve optie nooit zou kunnen. Het gaat om de formulering en de wijze van communiceren. Een vraag om instemming waarop, ook na een rappel, niet wordt gereageerd, waarbij de werkgever in het rappel aangeeft dat hij ervan uitgaat dat als de werknemer niet binnen een aangegeven periode reageert de werknemer geacht wordt te hebben ingestemd, zou voldoende moeten zijn. Zeker als na afloop van de genoemde periode zonder reactie nog een bevestiging volgt waaruit blijkt dat het niet reageren door de werkgever is opgevat als het geven van instemming en de pensioenregeling voor de desbetreffende werknemer dus is gewijzigd conform het voorgelegde voorstel.

Maar, als het proces niet zorgvuldig wordt doorlopen, zijn de consequenties voor de werkgever groot. In deze zaak kreeg Y nog een fikse aanvullende rekening. Het alsnog moeten inkopen van een direct ingaand nabestaanden pensioen is een dure zaak. Wijzigen van een pensioenregeling vereist derhalve de nodige zorgvuldigheid en een ter zake deskundige adviseur.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Hof Den Bosch, 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3663

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 oktober 2019.