Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Wijziging pensioenrichtleeftijd leidt niet tot andere pensioenontslagdatum dan AOW-leeftijd in de arbeidsovereenkomst

Wijziging pensioenrichtleeftijd leidt niet tot andere pensioenontslagdatum dan AOW-leeftijd in de arbeidsovereenkomst

9 april 2020

Werkgever wijzigt in overleg met OR de pensioenrichtleeftijd naar 68. Werknemer maakt geen bezwaar. Wijziging pensioenrichtleeftijd kan niet worden beschouwd als het schriftelijk overeenkomen van een andere dag dan de AOW-ingangsleeftijd, waartegen de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen.

Wijziging pensioenrichtleeftijd

X is sinds 2004 in dienst bij Y BV. In december 2017 informeert Y BV de medewerkers via een e-mail over een wijziging van de pensioenrichtleeftijd. Bij deze e-mail zit een uitgebreid memo met toelichting.
Y geeft aan dat hij met de OR afsprak dat de pensioenrichtleeftijd met ingang van 1 januari 2018 stijgt van 67 naar 68 jaar. Daarmee volgt Y de wettelijke verhoging van de pensioenrichtleeftijd. Medewerkers die het niet eens zijn met de wijzigingen kunnen officieel bezwaar maken bij de HR-afdeling. Y geeft in de e-mail aan dat als een medewerker niet voor 12 januari 2018 bezwaar maakt, hij uitgaat van de instemming van de desbetreffende medewerker. X maakt geen bezwaar.

Ontslag op AOW-leeftijd

In juni 2018 zegt Y in een gesprek met X de arbeidsovereenkomst op per 1 januari 2019 wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van X. X protesteert tegen deze opzegging en geeft aan tot zijn 68ste te willen doorwerken. Hij stapt naar de kantonrechter en stelt dat Y de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzegde. Hij vordert primair toelating tot het werk en subsidiair een transitievergoeding en een billijke vergoeding

Kantonrechter wijst vordering af, hoger beroep bij hof Den Haag

Ingevolge artikel 7:669 lid 4 BW geldt dat, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen, de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen tegen of na de dag waarop de werknemer de in de AOW bedoelde pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. De kantonrechter oordeelt dat dit inhoudt dat voor een afwijkende afspraak in de zin van artikel 7:669 lid 4 BW een duidelijke, hierop gerichte schriftelijke afspraak is vereist. Een dergelijke afspraak kan volgens de kantonrechter niet worden afgeleid uit het memo over de verhoging van de pensioenrichtleeftijd dat Y in december 2017 aan zijn medewerkers stuurde. De kantonrechter wijst de vordering af en X gaat in hoger beroep bij het hof Den Haag.

X stelt zich op het standpunt dat wel degelijk een andere leeftijd is overeengekomen. Hij vindt dat hij door af te zien van de mogelijkheid om bezwaar te maken het aanbod van Y aanvaarde om een andere leeftijd overeen te komen.

Het hof stelt vast dat het memo waar X de afwijkende afspraak op baseert een algemeen memo betreft dat aan alle medewerkers van Y is gestuurd, waarbij de HR-manager in de begeleidende e-mail aangeeft dat het gaat over de wijziging van de pensioenrichtleeftijd in Nederland per 1 januari 2018 en de situatie per die datum bij Y. Daarom is het hof van oordeel dat X het memo redelijkerwijs niet anders heeft mogen opvatten dan als aankondiging/bekenmaking van de wijziging van de pensioenrichtleeftijd van 67 naar 68 jaar. Y omschreef daarbij de pensioenrichtleeftijd als een leeftijd waarop de pensioenen worden berekend en als een fiscale rekenleeftijd. Uit het memo kan volgens het hof niet worden opgemaakt dat de aankondiging/bekendmaking door Y of het achterwege blijven van bezwaar tegen de wijziging ook zag op het overeenkomen met X van een andere leeftijd voor de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, te weten bij de leeftijd van 68 jaar. Het hof concludeert dan ook dat in het memo geen sprake was van een aanbod gericht op het overeenkomen van een andere leeftijd zoals bedoeld in artikel 7:669, lid 4 BW. Er is dus tussen X en Y geen andere leeftijd dan de AOW-leeftijd overeengekomen waartegen of waarna de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen.

X stelde nog dat hij erop mocht vertrouwen dat een andere pensioenleeftijd is overeengekomen.  Volgens het hof is het memo van algemene aard en bedoeld om alle werknemers van Y te informeren over een wijziging van de pensioenrichtleeftijd. In het memo wordt uitgelegd wat de pensioenrichtleeftijd is; een fiscale rekenleeftijd die in de pensioenregeling is opgenomen, dat tot die rekenleeftijd maximaal pensioen kan worden opgebouwd en dat die leeftijd van 67 naar 68 jaar gaat.

Het hof concludeert dan ook dat X er op basis van de communicatie van Y en in het bijzonder de tekst van het memo, niet op heeft mogen vertrouwen dat hij tot de leeftijd van 68 jaar kon doorwerken en er sprake was van een andere leeftijd in de zin van artikel 7:669 lid 4 BW. En dat leidt tot de conclusie dat Y de arbeidsovereenkomst met X rechtsgeldig heeft opgezegd en geen transitievergoeding is verschuldigd. De kantonrechter heeft het verzoek tot vernietiging van de opzegging volgens het hof terecht afgewezen, zodat ook geen billijke vergoeding aan X wordt toegekend.

Het hof bekrachtigd de tussen partijen gegeven beschikking van de kantonrechter.

Commentaar

De pensioenrichtleeftijd en de AOW-ingangsleeftijd lopen al enige tijd niet meer synchroon. Zoals we al eerder aangaven, is dit de oorzaak van spraakverwarringen en procedures. Zie onze nieuwberichten van 7 oktober 2019, 18 februari 2020 en 28 februari 2020. Ook in deze uitspraak blijkt weer dat doorslaggevend is wat partijen beoogden. Een in algemene termen gesteld informatiememo over de voorgenomen wijziging van de pensioenregeling in verband met het verhogen van de fiscale pensioenrichtleeftijd werkt niet automatisch door in de civiel juridisch overeengekomen arbeidsovereenkomst tussen een individuele werknemer en de werkgever.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Hof Den Haag, 17 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:565

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 8 april 2020.