Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Wijziging voorwaardelijke toeslagbepaling geldt ook voor gepensioneerden

14 februari 2019

Werkgever harmoniseert pensioenregelingen waardoor onder meer de toeslagbepaling voor gepensioneerden wijzigt. COR en Verantwoordingsorgaan voor rechtstreeks verzekerde pensioenen gaan akkoord. Wijziging is rechtsgeldig en niet onaanvaardbaar. 

Werkgever harmoniseert diverse pensioenregelingen

De Stichting X Pensioenfonds voerde de pensioenregeling van werkgever X uit tot 2000. Het pensioenfonds herverzekerde zijn verplichtingen bij verzekeraar Z. Werkgever Y neemt in 2000 werkgever X over. Vanaf 2005 bouwen werknemers van X pensioen op bij het BPF Bouw. Van 2005 tot 2009 verzekerde het pensioenfonds van X alleen de premievrije rechten van (gewezen) deelnemers. In 2009 liquideerde het pensioenfonds en werden de tot dan toe opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten via een collectieve waardeoverdracht rechtsreeks ondergebracht bij verzekeraar Z.

In 2010 harmoniseert werkgever Y de diverse pensioenregelingen. Daarmee veranderde onder meer de toeslagbepaling voor de bij verzekeraar Z ondergebrachte pensioenaanspraken en –rechten. 

De toeslagbepalingen vóór en na 2010.

Het pensioenreglement van de Stichting X Pensioenfonds kende een toeslagbepaling op grond waarvan; “het bestuur aan de hand van een door de actuaris uit te brengen advies in december van elk jaar zal bezien of en in hoeverre er middelen van het fonds aangewend kunnen worden voor verhoging van de pensioenaanspraken en –rechten per de eerste januari van het komende jaar”. In het reglement is opgenomen dat het bestuur ernaar streeft om de pensioenen zoveel mogelijk aan de ontwikkeling van het prijsindexcijfer aan te passen. 

Bij de liquidatie van het pensioenfonds in 2009 werden er bij verzekeraar Z een tweetal gesepareerde toeslagdepots gevormd. 

Vanaf 2010 luidt de toeslagbepaling; “op de pensioenrechten en pensioenaanspraken wordt jaarlijks een toeslag verleend. De Raad van Bestuur zal aan de hand van een door de actuaris uit te brengen advies in december van elk jaar bezien of en in hoeverre er middelen van het toeslagdepot aangewend kunnen worden voor verhoging van de pensioenaanspraken respectievelijk rechten per de eerste januari van het komende jaar.” De toeslag is vanaf 1 januari 2010 niet langer gebaseerd op het prijsindexcijfer, maar op maximaal de toeslag die het BPF Bouw feitelijk verleent op de pensioenen van inactieve deelnemers doch nimmer meer dan 3%. De Raad van Bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast. 

Vereniging van Gepensioneerden X Pensioenfonds is het er niet mee eens

De gewezen deelnemers en gepensioneerden die uit hoofde van hun dienstverband bij werkgever X of werkgever Y pensioenuitkeringen ontvangen hebben zich verenigd in de Vereniging van Gepensioneerde X Pensioenfonds. Deze vereniging verzet zich tegen de wijziging van de toeslagbepaling waardoor de maatstaf voor toeslagen veranderde van het consumentenprijsindexcijfer naar de toeslag van het BPF Bouw.

Allereerst stelt de Vereniging zich op het standpunt dat de wijzigingen naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar zijn zodat die buiten toepassing moeten blijven. Subsidiair voert zij aan dat de wijzigingen van de toeslagverlening in 2010 niet rechtsgeldig plaatsvonden, zodat zij buiten toepassing dienen te blijven.

Kantonrechter: wijzigingen zijn rechtsgeldig en niet onaanvaardbaar

De kantonrechter constateert dat het in eerste instantie van belang is om vast te stellen of de toeslagbepalingen van vóór en na 2010 voorwaardelijk dan wel onvoorwaardelijk zijn. Een voorwaardelijke toeslag behoort ingevolge de definitie van artikel 1 Pensioenwet niet tot de opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenrechten.
Partijen zijn het er over eens dat de toeslagverlening van na 2010 voorwaardelijk is. De vraag of dit ook het geval is bij de toeslag van vóór 2010 is volgens de kantonrechter een vraag van uitleg. Hij beantwoordt deze aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Dat betekent dat het reglement naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd. Bij gebrek aan een gepubliceerde schriftelijke toelichting op het pensioenreglement zijn bij de uitleg daarvan derhalve in beginsel de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst, van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het volgens de kantonrechter niet aan op de bedoelingen van de partijen die het reglement tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin het reglement is gesteld. Aan de hand van deze benadering komt de kantonrechter tot de conclusie dat sprake is van een voorwaardelijke toeslag, die afhankelijk is van de visie van de actuaris en de beschikbaarheid van de middelen.

De pensioen- en aanspraakgerechtigden van X hadden en hebben volgens de kantonrechter dus geen onvoorwaardelijk recht op jaarlijkse indexatie. In de periode dat er op basis van de financiële positie van het pensioenfonds geen toeslagen konden worden verleend, heeft Y onverplicht en uit eigen middelen een jaarlijkse toeslag van gemiddeld 1% gefinancierd. Door deze onverplichte toeslagverlening door Y zijn deze pensioen- en aanspraakgerechtigden er alleen maar op vooruit gegaan en kan volgens de kantonrechter dus niet gesproken worden van een onevenwichtige belangenbehartiging. De kantonrechter concludeert dan ook dat het nieuwe toeslagprotocol naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

De kantonrechter stelt vast dat werkgever Y ten aanzien van de bij verzekeraar Z rechtsreeks verzekerde regeling (waaronder die van de X-werknemers) verantwoording aflegt over het door hem gevoerde beleid aan het Verantwoordingsorgaan voor rechtstreeks verzekerde pensioenen (VVP). De VVP wordt gevormd door de Sociaal Economische Commissie (SEC) en de Pensioencommissie van de COR. Twee vertegenwoordigers van de Vereniging van Gepensioneerden X Pensioenfonds behartigen de belangen van voormalig X-werknemers in de SEC. De SEC is nauw betrokken geweest in het proces van uniformering. De SEC is niet alleen gevraagd haar oordeel te geven over het voorstel tot uniformering, maar zij heeft ook invloed uitgeoefend op de invulling en opstelling van het Toeslagprotocol 2010. De SEC heeft begin 2010 laten weten dat zij akkoord ging met de wijziging van de toeslagbepaling naar een toeslagverlening op basis van de toeslag die BPF Bouw feitelijk verleent op de pensioenen van gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Door deze gang van zaken is volgens de kantonrechter ook materieel voldaan aan de vereisten van het in artikel 22 PW opgenomen hoorrecht van een vereniging van pensioengerechtigden bij uitvoering door een verzekeraar, waar het de specifieke belangen van de gepensioneerden betreft. Daarnaast concludeert de kantonrechter dat de COR begin januari 2010 heeft ingestemd met de uniformering van het toeslagbeleid. Daarmee stemde de COR in met een wijziging van – in geval van X pensioen- en aanspraakgerechtigden- de voorwaardelijke toeslagbepaling op basis van het prijsindexcijfer naar een voorwaardelijke toeslagbepaling overeenkomstig de indexatie die BPF Bouw verleent.

De slotconclusie van de kantonrechter luidt dan ook dat de toeslagbepaling rechtsgeldig is gewijzigd en dat hij de gevorderde nakoming en overlegging van een gewijzigd pensioenreglement afwijst.

Commentaar

Het wijzigen van een voorwaardelijke toeslag voor slapers en gepensioneerden werd in het verleden op grond van de leer van de uitgewerkte rechtsverhouding onmogelijk geacht. Achterliggende gedachte hierbij was dat door het beëindigen van de arbeidsovereenkomst er geen juridische relatie meer bestond tussen de werkgever en de gewezen deelnemer of gepensioneerden, zodat wijzigingen die de werkgever aanbracht in de pensioenovereenkomst niet doorwerkten in de pensioenaanspraken en –rechten van slapers en gepensioneerden.

Inmiddels heeft de Hoge Raad een aantal keren geoordeeld dat het einde van de arbeidsovereenkomst nog niet met zich brengt dat de rechtsverhouding tussen betrokken partijen als uitgewerkt moet worden aangemerkt. De rechtsverhouding wordt volgens de Hoge Raad, zij het met gewijzigde hoedanigheid voortgezet in de pensioenovereenkomst (HR 6 september 2013, ECN/Omen, HR 20 september 2013, Delta Lloyd, zie ons nieuwsbericht van 12 november 2013).

Dit oordeel van de HR brengt met zich dat toeslagbepalingen terzake van pensioenaanspraken en –rechten van slapers en gepensioneerden in beginsel kunnen worden gewijzigd. Van belang daarbij is nog de vraag of sprake is van voorwaardelijke of onvoorwaardelijke toeslagen. Onvoorwaardelijke toeslagen zijn pensioen in de zin van artikel 1 van de PW. Dat betekent dat op grond van artikel 20 PW bij een wijziging van de pensioenovereenkomst deze toeslagbepaling niet wordt aangetast. Onvoorwaardelijke toeslagen komen, zeker na invoering van de PW, echter nauwelijks meer voor. Ook in deze zaak was sprake van een afhankelijkheid in de toeslagverlening (het oordeel van de actuaris en de beschikbare middelen) en dus van een voorwaardelijke toeslag. Opvallend is hierbij dat de kantonrechter in rechtsoverweging 4.5 eerst vaststelt dat partijen het er over eens zijn dat de toeslagbepaling van na 2010 een voorwaardelijke is en vervolgens ingaat op de toeslagbepaling van vóór 2010 en tot de conclusie komt dat; “In de tekst van de toeslagbepaling van na 2010 naar het oordeel van de kantonrechter een voorwaardelijk recht op indexatie is vastgelegd”. Het lijkt erop dat hier sprake is van een verschrijving. Want dat de toeslagverlening na 2010 voorwaardelijk was, had de kantonrechter, als niet door partijen betwist, daarvoor al vastgesteld. Bedoeld is waarschijnlijk dat naar het oordeel van de kantonrechter in de tekst van de toeslagbepaling voor 2010 een voorwaardelijke recht op indexatie is vastgelegd. Een kleine, maar cruciale verschrijving.

Een voorwaardelijke toeslagbepaling kan, ook voor gewezen deelnemers en gepensioneerden, worden gewijzigd mits de daarvoor geëigende procedure is gevolgd. Met de betrokkenheid en instemming van de SEC en de COR was dat hier het geval.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, 23 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:342

 Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 13 februari 2019.